Voedingsstad

- 08 July 2019 door Edwin Timmers -

Veghel noemt zich al zo'n 35 jaar voedingsstad. Dat zegt iets over een dorp. Maar er is wel veel industrie. En een kwakkelend winkelcentrum volgens velen. Op de markt spuit sinds kort een fontein.
Het weer is zo goed dat een bezoek aan de ijssalon – op dezelfde markt – kan, hoewel ik geen uitgesproken ijsliefhebber ben. Het is een optelsom: ijssalon plus fontein is kindervermaak. Een bron van verhalen.

Op de fiets naar Veghel, een tocht langs het kanaal. Een mooie manier om Veghel binnen te rijden. De voormalige CHV-fabriek, een kolos, een betonnen wachter, die je al van verre ziet. En verder, verder langs al die panden waar het naar arbeid ruikt. Bedrijvigheid. Dagelijks zwelt Veghel op tot 80.000 mensen om ’s avonds weer te slinken tot ongeveer 40.000. Waar veel gewerkt wordt, wordt veel verteerd, zou je zeggen. Toch bruist Veghel niet zoals je op basis van de schare arbeiders zou mogen verwachten.

Voordat ik mezelf op een ijssorbet mag trakteren, moet ik het winkelcentrum door. Gewoon, om te zien of het geklaag over het gekwakkel hout snijdt. Welnu, het is minder erg dan de verhalen me voorspiegelen. Veel terrasjes trouwens. Veel terrasjes waar geluncht wordt. Kantoorboekhandel Schellen zit er ook nog, net als elektronicazaak Van Aalst en de HEMA. Ik genoot mijn middelbareschooltijd in Veghel, vandaar.

Vorstenbosch ligt op kruipafstand van de voedingsstad. Als geboren en getogen Vorstenboschenaar zit er veel Veghel in mijn geheugen. Daarom fiets ik er zo nu en dan graag doorheen. Herinneringen toetsen aan de actuele werkelijkheid is een prettige bezigheid.

Voor de ingang van de ijssalon staan drie of vier stapels stoelen. Vreemd, want niet bepaald een uitnodigende geste. Sterker nog, ik fiets door. Het terras bij het even statige als imposante ‘oude raadshuis’ (bouwjaar 1877) lonkt. Een goedgekozen plek voor een terras: de enormiteit van het bakstenen gebouw maakt het automatisch knus. Het is een Brownies&downieS. Ik stal mijn fiets en neem plaats aan een tafeltje precies in het centrum van vier bezette tafels.

De koffie is goed en het gebak zoet. Ik ging voor de taart van de dag, of week of maand; ik weet het niet meer. De taart van een bepaalde tijdspanne. Een ‘frozen sandwich’, zijnde twee kokosmacronen met vruchtenijs ertussen. Toefen slagroom eromheen en op die toefen kleine kletsmajoors met muntsmaak. Mooi gemaakt, maar een worsteling en wel heel erg zoet. Ik ben geen Brownies&downieS-adept en dat ligt niet aan het gebak. Het is er doorsnee, veilig, te netjes, braaf, saai. Wil ik dan vuiligheid en een klap op de bakkes? Nee, het is veel simpeler: ik wil geraakt worden en dat gebeurt hier niet. “Hey Edwin,” zegt een vrouw die zich naar me toedraait. “Wat doe jij hier?” Ik moet twee keer kijken om te zien wie ik voor me heb.

Het is Simone, de vrouw van een vriend uit Vorstenbosch. Haar vraag is een terechte. “Ik zit jullie te observeren,” antwoord ik. Haar tafelgenote schrikt. Mijn toelichting stelt haar gerust.
Simone woont in Vorstenbosch, maar is Veghelse van geboorte. We halen herinneringen op aan de plaats waar haar wieg stond. De apotheek van Van Rijn, de bibliotheek, het Bolkenplein. Een gepensioneerd stel aan een ander tafeltje zit hevig te knikken; ze herkennen zich in onze herinneringen.

“Gisteren was ik trouwens nog in Vorstenbosch,” zeg ik. Met mijn twee broers, mijn zus en mijn vader at en dronk ik er bij Smook. “Ooow?” vraagt Simone. Mijn vader was onlangs jarig. Sinds enkele jaren doen we hem en onszelf dan een etentje cadeau. Hij vindt uit eten en drinken geldverspilling. “Voor twee glazen bier heb je bij de Coop een heel kratje Bavaria.” Als ik tegenwerp dat de Coop niet zo gezellig is, waagt hij dat te betwijfelen.

Smook vestigde zich een jaar geleden in de voormalige dorpskroeg ‘De Schaapskooi’. Nu pas begrijp ik waarom die kroeg zo heette. Het was het café schuin tegenover de kerk. God is/was onze herder; wij gelovigen zijn dus zijn schapen, die de nacht doorbrengen in een schaapskooi, een beschutte omgeving waar het kwaad, vermomd als wolf, niet bij kan. De kroeg als veilige plek in de nacht.

Smook, de huidige naam, is een verbastering van het Engelse smoke. Alle gerechten worden hier langzaam gegaard op hout of kolen. Het eten is er goed, zo ook het drinken. We eindigden de avond met een nazit op het overdekte terras, een magnifieke plek aan de doorgaande weg. Vorstenboschenaren bewegen zich op zomerse avonden voort op de fiets. Het was een groeten en handopsteken van jewelste. “Heee Timmers! Iets te vieren?”

Vandaag dus in Veghel, het dorp dat zo ontzettend graag een stad wil zijn. Een paar jaar terug fuseerden ze met Sint-Oedenrode en Schijndel. De nieuwe gemeente heet Meierijstad. Ik denk dat ik weet wie deze naam voorstelde. Alles in Veghel lijkt met een doorwrocht ondernemingsplan te beginnen. Er wordt ondernomen met angst voor het onvoorziene. Achter alles lijkt groot geld te zitten. Een ‘stad’ zonder charmante rafelrand. Veghel is het meest Duitse dorp van de provincie Noord-Brabant.

Ik fiets naar huis over het industrieterrein en geniet. Daar waar de A50 over het kanaal gaat, word ik door een blazende ganzenfamilie gedwongen af te slaan en verder te gaan over een zandpad door het Wijbossche Broek, een natuurgebied van bescheiden omvang dat me blijft verrukken. Even later zie ik een ijsvogel over het water wegschieten.
terug

een

doorwrocht

ondernemingsplan