Vogelen

- 31 August 2017 door Edwin Timmers -

Vijf verschillende woorden voor het mannelijk geslachtsorgaan? Zonder enige moeite lepel ik ze op. Tien, als het moet. Het vrouwelijk geslachtsorgaan idem dito. Vijf synoniemen voor de geslachtsdaad? Peulenschil. Vogelen bijvoorbeeld. Maar vogelen is meer. Het bekijken, op naam brengen en tellen van vogels heet vogelen. Iemand die vogelt heet vogelaar. Een professioneel vogelaar heet ornitoloog. Ik ben geen ornitoloog.
Het op naam brengen van vogels. Iets op naam brengen. Een prachtige omschrijving, die ik nooit eerder hoorde. Een vogel op naam brengen is best lastig voor een leek als ik. Met gemak kan ik zo’n twintig soorten benoemen. Dat mag veel lijken, maar twintig is nog geen vijf procent van alle vogelsoorten die ooit in het Nederlands wild zijn waargenomen.

Ik zit in een vogelkijkhut bij De Dollard, een natuurgebied in het noordoosten van Groningen. Zo gemakkelijk ik verschillende woorden ophoest voor het mannelijk of vrouwelijk geslachtsorgaan, zo moeilijk breng ik alle voorbij vliegende vogels op naam. Kijk daar! Geen spreeuw, dat zie ik wel. Geen putter ook, geen reiger of lepelaar, geen mus geen zwaluw geen kraai geen kneu. Wat is het dan wel? Een merel? Een mees een duif een kluut een tureluur? Of toch een plevier? Nee, zeker geen plevier. Een wit buikje en een brede wit-gele streep op de verder geheel bruine vleugels, kort staartje. Wat is het? Toch een puttertje? Nee, toch niet. Ik heb er het woord niet voor, kan niks zeggen. Zelfs niet nu er drie in een lage struik rondhupsen op tien meter bij me vandaan. Vreemd is dat, geen naam paraat hebben voor iets.

Tegen het plafond van de vogelkijkhut metselde een boerenzwaluw zijn nest. Een Duitse vrouw met twee kleinkinderen wijzen elkaar en mij op de jonge zwaluwen erin. Telkens als een van de ouders komt aanvliegen beginnen ze te piepen en sperren ze hun bekje. “Dritten Brut?” vraagt de vrouw. Het derde broedsel? Ik weet het niet. Voor een eerste is het wat laat inderdaad, maar waarom het dan niet het tweede broedsel zou zijn, vraag ik maar niet.

Verderop staat een groep grote witte vogels in het water. Ik besluit dat het lepelaars zijn, want dan heb ik die ook een keer gezien. De vrouw ziet me kijken. “Lepelaars?” vraag ik haar. Ze bevestigt met een knik. Hierop vraag ik wat lepelaar in het Duits is. “Löffler,” antwoordt ze. Ik had het zelf kunnen bedenken.

Een paar dagen eerder zag ik een ijsvogel wegschieten tijdens een kanotochtje over de Ruiten Aa. “Een ijsvogel!” riep mijn vriendin. De kano sloeg bijna om en drie andere mooie vogeltjes waarvan ik de naam niet ken scheerden synchroon over het wateroppervlak weg. De eigenaresse van de kanoverhuur reageerde nuchter op onze mededeling dat we een ijsvogel hadden gezien. “We geven daar niet veel ruchtbaarheid aan,” reageerde ze. “Want dan gaan ze waarschijnlijk moeilijk doen.” Ze? “Ja, de gemeente, de natuurbeschermers. Als die weten dat er een ijsvogel zit, mag er zo niet meer gevaren worden.”

Ik vraag de Duitse vrouw in de vogelkijkhut of ze de zeehonden op het strand aan de andere kant van de dijk heeft gezien. Die heeft ze gezien. Ik vraag haar wat zeehond in het Duits is. Wat ze antwoordt, zal ik niet verklappen, dat mag u mooi zelf uitvogelen.
terug

het

derde

broedsel