Volautomatisch wonen

- 22 January 2018 door Edwin Timmers -

Vraag me niet wat nu precies een luie stoel is, maar ik heb er wel een en ik zit erin als ik van het werk thuiskom. De garage opent zijn roldeur als een hongerige mond wanneer mijn zelfrijdende auto mij de oprit oprijd. Ah, daar in die mond staat reeds mijn luie stoel ongeduldig als een jong hondje op me te wachten. Het trouwe ding trekt het maar net als ik tien minuten later ben. Eerdaags mijn mannetje maar eens bellen voor een herprogrammering met ruimere marges.
De luie stoel koerst me door mijn woning naar de eettafel. Lekker, Hollandse kost, dampend alsof het echt is. Ik open mijn mond en de foodstuffer schept er een volle lepel voedzame drab met een kinky bite in. Heerlijk. Ik ben graag thuis. Een zachte vrouwenstem vraagt wat ik wil zien. Dat doet ze altijd en het begint me te storen. Ik heb haar geïnstalleerd om mij ter wille te zijn. Nou, dan moet ze niet telkens naar mijn wensen vragen. Bovendien kent ze die. Zij weet wat ik wil zien. Doen alsof je niet weet wat je te doen staat, ergert me. De dommerik spelen, nee, kom daar bij mij niet mee aan. Of ik ruil haar in, of mijn mannetje moet haar maar eens flink onder handen nemen.

Mijn huis is enorm ruim en toch heb ik maar weinig ruimte nodig. De luie stoel transformeert nagenoeg ongemerkt in een comfortabel bed op het moment dat zijn sensoren uit gegevens over mijn bloeddruk opmaken dat ik slaperig wordt. Ik zou aan een klein huis genoeg hebben, hoewel de hoeveelheid systemen maar net in de kelder passen. Ik houd van ruimte, moeilijker kan ik het niet maken. Ruimte doet me goed, ruimte maakt me rustig. En rust heb ik nodig, want ik heb veel verantwoordelijkheid. Mijn collega van vier niveau’s lager lacht om mijn verantwoordelijkheidsgevoel. Wat gebeurt er als je faalt, vraagt hij telkens. Wat gebeurt er als dingen niet precies lopen zoals jij voorzag? Waar ben je bang voor?

Mijn collega woont in een huis waarin hij, naar hij zegt, best veel zelf doet. In zijn keuken staat een machine die de afwas doet. Afwas? Hij zet de vaat, zo noemt hij besmeurd eetgerei, zelf in die machine. Maar, let op, soms, als de ‘vaat’ niet in de machine past, doet hij de ‘afwas’ zelf met water en zeep. Dus ik vraag hem waar hij die zeep vandaan tovert. Uit de kast, zegt hij. Okay, okay, okay, alles goed en wel, zeg ik, maar hoe neem jij jouw rust? Zegt hij dat hij die uit de afwas en zo haalt. En soms geeft hij planten water. Planten! Binnen! En elke paar jaar verft hij de muren van de woonkamer. Voor de rust!

Ik zal zijn ontslag moeten initiëren, dat moge duidelijk zijn. Toen ik hem vroeg of hij wel weet wat wonen is, stelde hij mij precies dezelfde vraag terug. De brutaliteit. Wat is wonen? zei hij. Inderdaad, mijmerde hij, wat is de definitie van wonen? Wat is wonen?
terug

de

rust