Wachtkamervertier

- 18 October 2017 door Edwin Timmers -

Om klokslag negenentwintig en een halve minuut over tien liep ik de wachtkamer binnen. Ik had een afspraak om half elf en heb een hekel aan wachten. Ik nam plaats naast een tonronde man van voorbij de zestig. Hoewel, tonrond is het woord niet. Een ton wordt namelijk door iets bij elkaar gehouden. Deze enorme man leek te smelten, zijn vlees stroomde traag van de stoel de wachtkamer in. Naast hem, of eigenlijk naast dat wat er van hem over was, zat een vergelijkbare vrouw met borsten op haar bovenbenen. Salvador Dali had dit tafereel niet kunnen bedenken.
De man was geraakt door de moord op de vermiste Utrechtse. “Weet je wat ze met die kerel moeten doen,” brobbelde hij in het wilde weg. “Naar de gaskamer moeten ze hem sturen.” Ik schrok niet van deze opmerking, en reageerde ook niet. Hij vulde de gaskamer verder met psychiaters en verwant volk. In de hoop dat hij sneller zou smelten, vroeg ik of hij een lekker bakkie hete koffie wilde. Hij wilde niet, maar greep mijn aanbod wel aan om me te misbruiken als praatpaal.

Wachten deed hem niks meer. Dertig jaar had hij internationaal gereden, met de vlam in de pijp. Het was hem vaak overkomen: op vrijdag net even na sluitingstijd arriveren bij het bedrijf waar hij zijn vracht kwijt moest. Het vertrekkende personeel liet hem verrekken. “Maandag ben jij de eerste!” Daar stond hij dan, in Spanje of Italië. Twee dagen in een vrachtwagen op een verlaten industrieterrein.

Milieumensen moeten ook de gaskamer in, vond hij, want zij houden de aanleg van meer wegen tegen. Zij waren de schuld van de files, de schuld van zijn gedwongen verblijf op industrieterreinen in den vreemde. Omdat ik hem de schaamte niet gunde, hield ik voor me dat ik milieukundige ben. Hij keek op de klok.

“Het is alweer tien voor elf,” zei hij tegen zijn vrouw. “Weet je wel zeker dat we hier om half elf moesten zijn?” Zijn vrouw meende het zeker te weten. “Kijk dan toch maar eens op de brief,” beval hij haar. De vrouw hees zich min of meer overeind en speurde in haar tas. “Hier heb ik hem,” riep ze opgelucht. Hij griste het papier uit haar hand en las. “Half twaalf staat hier,” zei hij. “O,” reageerde de vrouw schuldbewust. “Dan zijn we iets te vroeg, denk ik.” De man zuchtte en sloeg voor zover mogelijk zijn armen over elkaar. “Ik ben het gewend,” snorkte hij.
terug

ben

het

gewend