Wat heb je gedaan Daan?

- 13 February 2018 door Edwin Timmers -

Carnaval is leuk voor wie ervan houdt. Dit geldt voor veel dingen. Slechts een dag in het jaar vier ik carnaval. Hoewel, eigenlijk is het de viering van een vriendschap. Deze dag zetten we ons al vroeg in de middag aan de bar. We bestellen bier en proberen het hierna te rekken tot sluitingstijd, wat in mijn geval nooit lukt. Elk jaar hebben we meer verhalen en dat is niet raar. Wel is het lastig omdat we niet meer tijd hebben. Dit jaar spraken we uitgebreid over carnavalskrakers, vooral over de kolderteksten die over de harde hoempa zin uitgegoten.
Kolderteksten bekken lekker, ontberen betekenis en zijn geen uitvinding van de Havenzangers of de Twee Pinten. Ze zijn van alle tijden. Soms zijn kolderteksten klankgedichten.

Er is op veel verschillende manieren van gedichten te genieten. Een ervan is woordenschat. Zo kan het woord stoel verderop in een gedicht zetel heten en aan het eind wellicht zitplaats. Deze drie woorden verwijzen naar elkaar. Een tweede manier om genot uit gedichten te putten is klank. Staat in de eerste regel het woord raam en in de derde het woord blaam dan verrast de klankovereenkomst en dat is lekker.

Klankgedichten bekommeren zich zelden om een directe betekenis. Grappig in deze context is dat het woord barbaar verwijst naar gesproken taal die voor de toehoorder geen betekenis heeft. Barbaar, zegt Wikipedia, komt van het Oudgriekse barbaros, wat een klanknabootsing (of onomatopee) is van hetgeen een vreemdeling in een onbekende taal zegt: “bar-bar-bar-bar”. Klankgedichten zijn daarmee overigens nog niet barbaars. Hoewel?

Rinnzekete bee bee nnz krr müü?
ziiuu ennze, ziiuu rinnzkrrmüü,
rakete bee bee

Bovenstaande regels komen uit het beroemde gedicht Ursonate van dadaïst Kurt Schwitters. Hij maakte het in de periode van 1922 tot 1932. Op youtube staat een prachtversie van de Nederlandse klankdichter Jaap Blonk.

In 1943 schreef Cees Buddingh het welbekende gedicht Ik ben de Blauwbilgorgel, waaruit de onderstaande regels zijn genomen.

Ik ben een blauwbilgorgel,
Als ik niet wok of worgel,
Dan lig ik languit in de zon
En knoester met mijn knezidon.
Rabon! Rabon! Rabon!

Normale zinnen die door verzonnen woorden onbegrijpelijk worden. Maar het zingt wel lekker, net als de openingszin van Tutti Frutti, het nog immer schitterende lied dat Little Richard in 1955 opnam:

A-wop-bop-a-loo-bop-a-wop-bam-boom!

Zo zaten we aan de bar. Beetje zingen en onzin uitkramen. “Hebben jullie wel eens gelet op de coupletten van Wat heb je gedaan Daan?, de carnavalshit van Adele Bloemendaal uit 1972 op een tekst van Drs. P?” zei opeens een van ons. Nee, daar was nog nooit op gelet. “Zoek maar eens op dan!”

Kedinkedonkedinkedonkeding mijn ome Daan
Kezinkezonkezinkezonkezink er tegenaan
Kewinkewonkewinkewonkewinke op bezoek
Kerinkeronkerinke onderbroek
Kriebeldekrats
terug

bar

bar

bar

bar