We zijn nog niet in het bos geweest!

- 28 September 2017 door Edwin Timmers -

We zijn nog niet in het bos geweest! Ik leg mijn hoofd op het kussen en deze zin schalt als een angstkreet door de slaapkamer. Ik schiet overeind. Mijn vriendin slaapt. Kennelijk heeft ze niets gehoord. Zo gauw ik mijn hoofd weer op het kussen leg, klinkt de zin opnieuw, iets luider dit keer. “We zijn nog niet in het bos geweest!” Ik begraaf mijn hoofd onder het kussen. Daar begint de zin aan een oneindige herhaling. Ik besluit mee te tellen.
Bij achthonderddrieënvijftig zwiept een tak in mijn gezicht. De smalle sikkel van de maan is niet erg scheutig met licht. Onder mijn voeten kraakt vers gevallen blad. Voor me zie ik heel vaag een grauwe vrouw in bikini van me weglopen, dieper het bos in. Ik moet erachteraan, zonder te weten waarom. Een stemmetje op rechts zegt me dat ik verliefd ben. Verliefd, ik, op een halfnaakte vrouw die ik nooit eerder zag? Het stemmetje heeft de vorm en kleur van een grapefruit. Het knipoogt. Ik ben dus verliefd. Haar huid, zegt de grapefruit. Deze woorden zetten mijn benen in beweging. Ik verlang dus naar huid. Er staat een onrustige wind. Vlagen striemen in mijn gezicht. De vlagen blijken clusters haren in de staart van een enorm paard. In de haren hangt een vakantiegeur, zonnecrème en klamme zonwarme huid. Je bent niet verliefd, beschuldigt de gele vrucht me. Jawel, roep ik, ik ben wel verdorie wel verliefd. De vrucht verdwijnt in een punt.

Ik kom op een zandpad. Links, onder een straatlantaarn loopt een man. Ik zie hem op de rug. Hij draagt een pyjamabroek en een groen-wit camouflageshirt met lange mouwen. Zijn blote voeten steken in leren teenslippers. Hij sloft. In zijn hand hangt een touw dat naar een harig zwart hondje leidt. Het hondje drentelt van boom naar boom. Ik loop naar het beestje en buig voorover om het aan te halen. De hond trippelt in mijn richting en opent een enorme bek waaruit een oorverdovend hinniken ontsnapt. Ik val achterover. Het hondje is verdwenen als ik weer overeind sta. De man in pyamabroek staat met zijn schouder tegen de lantaarnpaal. Nog steeds zie ik hem op de rug. “Verderop staat de platte kruiwagen. Als je niet wilt dat de kikkers eraf vallen, moet je snel zijn,” fluistert hij. De grapefruit plopt tevoorschijn: “Rennen!”

Ik haast me het bos in. Urenlang ren ik, slalommend de bomen ontwijkend. Plots grijpt er iets om mijn keel. Het geeft niet mee, waardoor ik achterover sla. Ik bevrijd mijn keel uit het bovenstuk van een bikini. De maan verdwijnt met een klik. Een richtspot licht op en schijnt bij. Voor me staat een platte kruiwagen. Duizenden zwarte kikkers vallen er in dikke stromen vanaf en golven in mijn richting. De huid van de kikkers is koud en nat. Ik zie mezelf verdwijnen in dimmend licht.

“Je was aan het dromen vannacht,” zegt mijn vriendin. Ze legt de kaas terug in de stolp en plukt de zomercatalogus van de H&M van tafel.
“Ik was verliefd,” zeg ik.
“Vond je me zo mooi voordat je indutte?” vraagt ze met een schalkse glimlach.
“Ik denk het,” zeg ik, “hoewel ik niet zeker weet of jij het was.” Haar glimlach krijgt iets zurigs. “Maar ik denk het wel hoor!” sus ik.
“Tss,” sist ze en pakt een grapefruit van de fruitschaal. “Tot straks!”

Na twee koppen koffie en een toiletbezoek neem ik plaats achter de laptop. Ik open het bestand met ideeën voor Tribe-blogs en laat mijn ogen over de aantekeningen gaan terwijl ik naar beneden scroll. “We zijn nog niet in het bos geweest!” lees ik, helemaal onderaan.
terug

just

keep

dreaming