20140716-blog-horeca-interieur-duurzaam-hoezo.jpg
Ziekenhuisbezoek
- 25 mei 2019 door Edwin -
Het lichaam is kwetsbaar. Loop een ziekenhuis binnen en je weet het weer. Mij stemt elk bezoek, ongeacht de reden ervan, nederig en mild. Een haperend lijf doet iets met zijn bezitter. Ik zie het in de zorgelijke oogopslag. Ik zie het in kranig verweer tegen beter weten in. Zometeen ga ik de grote roldeur van het Udense ziekenhuis Bernhoven door om plaats te nemen in de brasserie gelijk links in de ontvangsthal.

Over de parkeerplaats rijdt een verlengd golfkarretje met een huif. Het voertuig heeft een elektrische motor en wordt bestuurd door een buitengewoon vriendelijke vrijwilliger op leeftijd. Hij schuimt de uitgestrekte parkeerplaats af op zoek naar passagiers. Ik strompel niet, maar mag wel meerijden als ik wil. Ik hoef niet. Mocht het ooit nodig zijn dan kan ik hem bereiken op het 06-nummer op de folder die hij me aanreikt. “Ik doe dit werk met veel plezier,” zegt hij net voordat hij zijn vehikel de sporen geeft en het ding met rammelende huif weg zoeft.
De keuken met bestelbalie van de brasserie is ondergebracht in een centraal geplaatst ovalen bouwwerk. Rondingen en krommes geven de ruimte iets zachts. De opstelling van de tafels volgt de gebogen lijn van de glazen pui die uitzicht geeft op de taxihalte en de vijver daarachter.

Ik sluit aan in de rij bij de bestelbalie. Een oud vrouwtje houdt zich staande achter haar rollator. Ze wil een broodje kaas. Een van de twee vrouwen achter de balie vraagt of ze een papieren zakje bij haar broodje wil. Het vrouwtje weet niet precies wat ze met een zakje moet; ze heeft honger en wil het broodje nu opeten. “Natuurlijk,” zegt de vrouw van de bediening. “Maar als uw taxi komt, kunt u uw broodje in het zakje doen en meenemen.” Het oude vrouwtje haalt de rem van haar rollator en schuifelt naar een zitplaats. In haar kielzog volgt de vrouw van de bediening met het broodje kaas en een papieren zakje.

Voor me staat een jonge hoogzwangere vrouw. Haar gezicht is donzig, haar voorkomen een tikje onzeker, gespeeld onzeker, want ze weet zich verzekerd van de nodige aandacht en maakt daar stiekem gebruik van. Ze wil een broodje gezond. “Met boter?’ vraagt een bediende. De zwangere knikt, waarop de bediende enigszins verbaasd een van haar getekende wenkbrauwen optrekt. Rauwe melk. De zwangere vrouw weet kennelijk dat de kans op Listeria in Nederlandse fabrieksboter heel klein is. Ze waagt de gok.

Ontdek het verhaal van onze helden. Deze zin ronkt op de folder van de cateraar die in een perspex tafeldisplay is gestoken. Ik zet mijn dienblad neer, neem plaats en draai het display om zodat ik kan zien wie de helden met een verhaal zijn. Het zijn lokale boeren en tuinders. Hun verhaal ken ik; het staat vaker op folders. Ik steek mijn vork in de met gele room gevulde kano waarin vijf halve aardbeien zijn gezet.

Een oude man steekt een rietje tussen zijn getuite vochtige lippen en slurpt het laatste beetje water uit een flesje. Plat water. Hij zit onderuit, zijn buik ligt als een berg op zijn lijf. Hij beweegt onvast, bibberig en zit daar maar wat. Zijn mobiel hangt in de borstzak van zijn overhemd. Hij haalt het ding eruit, scrolt en kijkt vervolgens op zijn horloge. Het zal tijd zijn, want hij maakt aanstalten. Het vrouwtje met het broodje kaas zoekt een nieuw plekje, dichterbij het raam, met beter zicht op de taxihalte.

Waarover praat je als je ziek bent of blijft, of als je misschien wel sneller dan ooit verwacht doodgaat? Over de camping, zoals een jongeman tegen zijn moeder doet. Over de tent die nog wel een jaar meegaat maar eigenlijk te groot is nu hij nog maar met zijn tweeën is.

Een oploopje bij een dubbelloops kinderwagen verderop in de gang nabij de liften. Oudere dames hebben het transportmiddel als warmhartige dienders van de wet staande gehouden voor inspectie van de inhoud. Gerimpelde hoofden bekijken de twee zowat identieke kleine mensjes. Kreten van verrukking, de oudste dame roept dat ze opnieuw oma wil worden. De moeder glimt van trots. Toch kan haar stralende gezicht de onrust van haar lijf niet verhullen. Ze is hier hoogstwaarschijnlijk niet voor bewondering.

Vrouwen met een hogere of lagere functie in het management dragen niet het kenmerkende witte tenue zoals het gros van het personeel. Ze lopen op streng klakkende hakken en dragen stoffen met de luchtige zwier van zijde. Hun oogopslag is doorgaans wat stuurs en ze zullen nooit in het openbaar een broodje kroket eten. Ze maken een wandeling in de pauze. Waarom associeer ik deze verfijnde schepselen met mannen in lange witte jassen? Doktersromans las ik nooit. Mannen in lange witte jassen lopen altijd rond alsof ze iets zoeken. Ik geloof niet dat ze iets zoeken. Ze veinzen drukte om contact met anderen uit de weg te gaan. Het maakt hen onbereikbaar en dus aantrekkelijk. Wellicht daarom mijn primitieve associatie.

Een man en een vrouw zetten allebei een plastic zakje met verfrommeld brood op tafel. Of ze zijn partners, of ze halen hun brood bij dezelfde bakker. De opdruk van beider plastic zakje is eender. Ze gaan zitten en proberen de knoop uit het zakje te halen. “Ze zeggen maar wat,” bromt de vrouw. Haar buik bulkt plaatselijk over de broekrand. Een sikkeneurig typ, armen over elkaar en knorren maar. Een andere vrouw zet zich aan hun tafel en begint een lofzang op pindakaas. Even later zitten zes mensen om de tafel, twee van hen dragen het Bernhoven-tenue. Het personeel heeft pauze. Pindakaas heeft plaats gemaakt voor de nieuwe liefde van de jongste van het stel. Het sikkeneurige portret is de liefde voorbij. Haar gezichtsuitdrukking vloekt met twinkeling van haar collega.

Personeel maakt de sfeer. Vier vrouwen in wit uniform en twee in burger aan een tafel verderop schaterlachen. Even later spreken ze begeesterd over keukens en badkamers. Het moet ergens over gaan. Geen van hen zal de platen van King Gizzard and the Lizard Wizard kennen. Mooie platen, maar dat interesseert niet iedereen. Daarom kan het maar beter over keukens en badkamers gaan, en over roze tegels op de wc. Ze zorgen voor mensen en hebben lol in de pauze. We hebben het goed met elkaar voor, dat geloof ik nu ik hier ben. Zelfs onze huisdieren kunnen in dit land rekenen op goede zorg. Poepen ze per ongeluk op straat, dan schrapen we de vuiligheid er met de hand vanaf en geven de viervoeter een liefdevol standje. We hebben het goed met elkaar voor. Maar niet alle poep is hondenpoep. Ik had een bouwklus op een industrieterrein in Limburg. De opdrachtgever bouwt loods na loods op zijn perceel. Halverwege de bouw van de eerste loods dacht hij dat er ’s nachts veel honden over het industrieterrein zwierven. Overal lagen drollen, maar nooit zag hij een hond bij daglicht. Een wegschietende mens in de vroege ochtend verschafte hem duidelijkheid. Oost-Europese chauffeurs wachten in zijn straat op een nieuwe lading. De chauffeurs overnachten in hun truck en ontlasten op zijn perceel. Hij wil wel een Dixie plaatsen, maar doet dat niet omdat hij er zeker van is dat die mensen er een bende van maken. Zonder zorg wordt het een bende. Hiervan word ik me bewust starend naar de achtergebleven kruimels van de aardbeienkano op het porseleinen bordje. Twee vrouwen zoeken een plek in de brasserie. Ze lijken op elkaar. De vrouw die de rolstoel duwt zal de dochter zijn van de apathische vrouw erin. In hun kielzog loopt een vrouw van de bediening met twee kopjes koffie. De moeder heeft meer zorg nodig dan haar mantelzorgende dochter kan bieden. Daarom zijn ze hier. Op basis van het gezicht schat ik de leeftijd van de dochter op vijfenvijftig. Haar blik en voorkomen doen echter denken aan een negenjarig kind dat een pretpark bezoekt. Ze is dolblij dat ze hier is.

Op weg naar buiten passeer ik een bejaarde man die me vanaf zijn stoel aankijkt alsof hij me kent. Misschien hoopt hij dat ik hem meeneem. Basic Fit staat er in frisse letters op de tas in het mandje van zijn rollator. Op de parkeerplaats groet ik de goedgemutste man in zijn verlengde golfkar. Hij mindert vaart. Of hij me moet brengen. Nee, dank je, ik loop wel.





vijf
halve
aardbeien
menu