20141012-blog-horeca-inrichting-lekker-gezond.jpg
Tuincafé
- 7 juni 2019 door Edwin -
Schitterend weer. Het leven wordt trager. Het kan wel sneller, maar het hoeft niet. Dieren voelen dat aan. Mieren beklimmen me, spinnetjes laten zich tot vlak voor mijn neus zakken aan een lijfeigen koord vanaf de druivenpergola, merels wagen zich met een schuin oog op mijn gestalte dichtbij op het gras en een rap musje hupst over tafel. Mijn vriendin vindt dat ons denken ook best trager mag en stelt voor om een speciaalbiertje te gaan drinken in Tuincafé De Witte Zwaan. De dropjeskat van de buren springt vanaf de schutting onze tuin in. Ik kijk hem streng in zijn roversogen: “Je laat de merels met rust, rotzak. Ik waarschuw je!” Betrapt tijgert hij de brandgang in. We kunnen gaan.

De diepe tuin bereiken we via het café en bestaat uit twee niveaus: een hoger gelegen terras met vele knusse zitjes en een lager gelegen grasveld waarop vandaag een springkussen is opgesteld vanwege een familiefeest. Het feest is besloten, dus het terras is automatisch ons domein. “Sorry,” zegt een meisje van de bediening. “Ben jij een dochter van Willy en Dorien?” vraagt mijn vriendin als we goed en wel zitten. Dat is ze niet, maar ze vindt het geen rare vraag. “Willen jullie alvast iets drinken?” gaat ze verder. “Doe mij alvast maar een tripel,” antwoord ik. Mijn vriendin wil gewoon een witbier.

Een paar tafels verderop zit een stel te smullen van een uitgebreide lunch. Ze zeggen weinig, maar hebben het zichtbaar goed samen. Het springkussen wordt niet besprongen. De kinderen rondom liggen in Maxi Cosi’s of doezelen in een buggy. Een oude man begeleidt zijn vrouw naar het toilet. Onze bieren worden uitgeserveerd. Mijn vriendin vraagt zich af hoe idealistische zorginstellingen vasthouden aan hun idealen. Hier kunnen we wel even mee vooruit. Achter ons voeren drie stellen een geanimeerd gesprek over vakantie in het buitenland. De voertaal is plat Brabants. Een van hen zegt dat je niet ver van huis hoeft om het goed te hebben. Hun ledematen zijn bruiner dan de Hollandse zon ze kan bakken.

Nieuwe gasten, een man en een vrouw met een buggy waarin een lieve baby met een flinke haardos ligt. De bruingrijze kijkers van het kindje zijn net zo indringend, doch minder schuw, als die van de vrouw. Ik kan haar niet als moeder plaatsen, haar bezwete gezicht heeft teveel geschiedenis. Het meisje van de bediening groet hen als bekenden. “U wilde soep?” vraagt ze aan de man. Het stel heeft vouchers voor soep.

Het speciaalbier werkt, ons denken wordt trager. Onbezorgde ledigheid, lome rust.

“Jullie weten wel wat lekker is.” De man heeft zijn kommetje soep leeg en kijkt verlekkerd naar de twee nieuwe bieren die op ons tafeltje worden gezet. “La Trappe,” zegt hij. “Van de betaalbare de lekkerste. Tachtig eurocent voor een fles blond. Goed te doen. Maar dan moet ik wel toegeven dat het tien jaar geleden is dat ik dat ervoor betaalde. Misschien is het ook wel goedkoper in Tilburg, zo vlakbij de brouwerij. Ik woon er niet meer, dus ja. Mooi hier trouwens in Berlicum.”

Het stel woont in een dorpje nabij Leerdam. Een zogenaamde ‘social deal’ bracht hen naar hier. Een wandeling met het begin- en eindpunt bij dit café. De soep zat in de deal. De vrouw geeft ons de routebeschrijving van de wandeling, waarvan een flink deel langs de opnieuw meanderende rivier De Aa gaat. “Zal niet meevallen met een buggy,” merk ik op na een blik op het A4’tje met de route. De vrouw beaamt het met een glimlach op haar nog steeds zwetende gezicht.

De man vertelt zonder opgaaf van reden dat hij 54 is en gescheiden. De vrouw zwijgt over haar verleden en haar leeftijd, maar is zeker niet jonger. Het mormel in de buggy zal een kleinkind van een van hen zijn. Ze wachten op de rekening. Hij zegt nogmaals dat hij Berlicum mooi vindt. Mijn vriendin wijst hem op een poster aan de muur. “Dan kom je op 1 september toch gewoon terug voor de Zomerboulevard in dit café. Hapjes, drankjes, live muziek, DJ’s en een paar shows van drag queens.” Hij wrijft eens over zijn kale hoofd en zegt met een lichte aarzeling dat hij dat niks vindt. “Wat vind je niks?” vraag ik hem met een uitgestreken gezicht. “Nou, euh, mannen die als vrouw gaan. Dat hoef ik niet te zien, daarvoor moet ik een grens over.” Stellig schudt hij zijn hoofd. Zij lacht wat ongemakkelijk. Het mobieltje van mijn vriendin trilt een keer. Het springkussen is een opblaasbaar kasteel, zie ik nu. Het zakt in. Het familiefeest loopt op zijn eind. “De buurvrouw vraagt of we Zowie gezien hebben,” zegt mijn vriendin. “Wie is Zowie?” vraag ik. “Haar poes,” antwoordt mijn vriendin. “O,” zeg ik. “Ik dacht dat het een kater was.” Het meisje van de bediening komt met de rekening, die de vrouw ter controle naast de vouchers legt. Het klopt niet. Het meisje loopt weer naar binnen. Jammer dat de man het bekijken van een drag queen als een grenservaring beschouwt.

“Grenzen verleggen kan heel prettig zijn,” probeer ik. Hij schudt zijn hoofd opnieuw, iets minder stellig dit keer. “Wil ik geloven. Maar deze ga ik niet over.” Ik besluit een omweg te nemen.

Een verlegen, enigszins gezette, zeventienjarige, verstokte gamer weekte zich los van het beeldscherm door van de ene op de andere dag zeer fanatiek en intensief te gaan fitnessen. De groei van zijn zelfvertrouwen ging gelijk op met de aanwas van zijn spiermassa. Hij verruilde zijn grauwe, ruim zittende sweaters voor nauwsluitende T-shirts. Een studente van de grafische school in Eindhoven zocht modellen voor een fotosessie. Hij meldde zich en zij maakte suggestieve opnamen van zijn naakte torso. Trots toonde hij de intieme kiekjes in zwart-wit aan iedereen die ze wilde zien. “Hij ging een grens over,” sluit ik af.

“Ik ben wel eens benaderd door een fotografe,” zegt de man. “Ze vond dat ik een markant koppie had. Maar ik sloeg haar voorstel af. Ergens best jammer eigenlijk. Maar die grafische school ja, daar ben ik een keer geweest. Zo’n fijne sfeer daar. Ik was er met een paar collega’s van de gemeente voor een informatiemiddag over bijzonder drukwerk. Authenticiteitskenmerken op paspoorten en briefgeld en zo. Daarvan moesten we de echtheid leren herkennen. Maar wat een fijne sfeer daar, zo open, zo vrij, ja, zo ongedwongen.” Aangedaan wendt hij zijn ogen af, staat op en loopt zonder nog iets te zeggen het terras af. De vrouw pakt het boeltje bij elkaar, verontschuldigt zich met een piepklein handgebaar en gaat met de buggy achter hem aan. Het meisje van de bediening verschijnt met een nieuwe rekening.





ons
denken
wordt
trager
menu