2019_mariapaviljoen_.jpg
Mariapaviljoen
- 30 juni 2019 door Edwin -
De serveerster draagt een korte jumpsuit in het zwart, ceintuurtje om haar middel. Ze is kleiner dan de gemiddelde gast op het terras. En ze is krachtiger, beweeglijker. Haar voeten steken in lichte wandelschoenen. Op haar gebruinde linker bovenbeen, net boven de knie, is een kruis getatoeëerd. Een zwart kruis met echo’s van steeds dunnere lijnen eromheen. Ze vraagt waarmee ze me van dienst kan zijn. Als ik haar op mijn beurt vraag naar de keuze in gebak ziet ze dat er geen spijzenkaart op mijn tafel ligt. “Red Velvet is de taart van de dag,” en weg is ze.

Het Mariapaviljoen is niet zoals ik dacht een voormalig onderkomen van het Wit-Gele Kruis. Het paviljoen is in 1915 gebouwd als sanatorium bij het voormalige Groot Ziekengasthuis in Den Bosch. Het ‘Groot’, zoals het ziekenhuis in de volksmond heette, is gesloopt. Het Mariapaviljoen ontsnapte aan de sloophamer dankzij haar status als Rijksmonument. Een drietal ondernemers met gevoel voor hippe horeca begonnen er een eet- en drinkgelegenheid. Het interieur ademt nog de sfeer van ziekenzorg. Witte tegels tot aan het plafond in de toiletgroep. Wit, de kleur van hygiëne, zowel lichamelijk als geestelijk, en de kleur van rust en regelmaat.

Het terras zit vol. Ik zou naast iedereen wakker kunnen worden. Met deze gedachte probeer ik me sinds kort te verplaatsen in mensen waarvoor ik in eerste instantie weinig voel. Een poging tot begrip. Een vrouw op een bank vlakbij de ingang houdt me in de gaten. Het is geen lonken. Ze voelt dat ik observeer hoe ze met haar twee jonge dochters omgaat. De oudste van een jaar of vier vijf begint te jammeren als de jongste van twee drie jaar zich tegen haar afzet. “Niet doen,” merkt de vrouw op zonder zich tot specifiek een van de twee kinderen te richten. Ze draagt ook een korte jumpsuit. De hare heeft een dessin van uitbundig bloeiende potplanten.

De serveerster legt de spijzenkaart op mijn tafel. Van de drie soorten gebak op de kaart is er een op. Ik kan kiezen uit appelgebak en taart van de dag. “Taart van dag is Red Velvet,” herhaalt ze. Die doe ik. “En een koffie alsjeblieft.”
“Een gewone koffie?”
“Ja, een gewone koffie.”

Met kleine kinderen naar een terras is niet leuk. Voor kinderen is het alleen maar leuk als ze losgelaten worden. Dit terras is leuk voor kinderen. Op de stoep is een vrachtlading zandbakkenzand uitgespreid. Een strandje in hartje Den Bosch. Kurkdroog rul zand. Elke beweging erin produceert stofwalmpjes die de felheid uit het zonlicht filteren.

“Nederland houdt van terrasjes,” lees ik in een artikel over horeca in de openlucht op de website van De Correspondent. “Al is ‘terrasje’ vaak een understatement voor de industriële zuipzones die de stoepen van steden koloniseren.” Het artikel begint met de constatering dat het privéleven van de moderne mens zich langzaam naar buiten verplaatst. Kortom: het terras is populair. Het Mariapaviljoen valt echter niet in de categorie ‘industriële zuipzone’, daarvoor is het te klein en veel te mooi. Hier tref je zelfbewuste dertigers die hun kinderen aanvankelijk beschouwen als verlengstuk van hun ego. Een houding die helaas niet vol te houden is. Het zichtbare getob met hun kroost vermorzelt hun zelfbewuste tronies.

Vreemd genoeg zegt het artikel in De Correspondent niets over het rookverbod in de horeca. Ik denk dat dat verbod sterk bijdraagt aan de verplaatsing van het privéleven naar buiten. De stinksigaret als sociaal bindmiddel: een niet-roker zal dit nooit toegeven.

Twee kinderen ruziën om een plastic schep. Een moeder grijpt in, zakt door haar knieën om op ooghoogte te kunnen communiceren. Met uitstekende argumenten probeert ze het kind met de schep te overtuigen dat haar luierdragende koter nu aan de beurt is. Het kind met de schep schudt zijn hoofd en gaat elders graven. Missie mislukt, maar dat laat ze niet merken. Ze trekt de plooien van haar donkerblauwe rokje strak over haar pronte kont en wendt zich tot haar partner, waarschijnlijk de vader, die een bolrond glas speciaalbier aan zijn lippen zet. Hij krijgt een veeg uit de pan. Het ouderschap is zijn vermageringskuur. Zijn verloren kilo’s heeft zij gewonnen.

Een jongeman van de bediening fluistert iets in het oor van mijn serveerster. Heel even raken zijn lippen haar oorlel.
Een bezwete baby wordt onder een tafel vandaan gehaald. Hij lag op schoot van mama aan een borst te tutteren. Mama is hier om te lunchen met een vriendin. De vriendin eet een reuzensalade met mes en vork. Mama bestelde hetzelfde en pikt met een vork het lekkerste tussen het groen vandaan. Slaapdronken waggelt het grote babyhoofd op haar schouder.

Aan een lange tafel zit een elftal jonge vrouwen. Geen zuipers, geen branieschoppers, geen schoonheden. Een enkeling drinkt warm water. Bereiden ze zich voor op het huwelijk van een van hen? Als het tot een feest komt, wordt het in ieder geval geen spektakel. Een van de mooiste jonge vrouwen die ik ken, zou tot een week geleden in dit gezelschap passen. Haar werk behelst het stroomlijnen van een organisatie middels protocollen. Een onmogelijkheid, maar dat is weer een ander verhaal. Afgelopen weekend trof ik haar in een uitgelaten bui. Ze tetterde honderduit, ze had geheel tegen haar gewoonte in stevig gedronken. Ik voelde medelijden met de kater die ze de dag erop ongetwijfeld zou moeten doorstaan. Medelijden met hoe ze de uit haar herinnering gewiste momenten van de avond ervoor in haar streng gestructureerde brein zou kunnen terugplaatsen. Ook een onmogelijkheid. Schaamte, maar niet meer precies weten waarom.

Ik zou mijn leven niet over willen doen. Ik zie weinig heil in een langdradige aaneenschakeling van déjà vu’s. Wel zou ik het leven van een ander willen doen – zoals dat van mijn serveerster – maar dat kan niet. Het dichtst bij de ander kom ik door te kijken, doch vooral door te luisteren en praten. Het leven van de ander ontvouwt zich heel langzaam in gesprekken. En het begint klein.

“Het duurde wel lang voordat de tiramisu kwam hè,” zegt de serveerster terwijl ze mijn lege gebaksbordje van tafel pakt. “Duurde wel even ja,” reageer ik. “Maar ik denk dat ik daar wel overheen kom.” Ze lacht en daar is het me om te doen. Dat ik de Red Velvet had en dat die snel gebracht werd in tegenstelling tot de tiramisu, die inderdaad op zich liet wachten, voor de vrouw aan een tafel rechts van me, laat ik in het midden. Ik wil graag weten waarom ze dat kruis net boven haar knie heeft laten tatoeëren, maar ze is alweer weg. Streng spreekt ze een paar kinderen toe die de houten terrastegels spelenderwijs aan het verplaatsen zijn. Een van de hen heeft namelijk ontdekt dat er ook zand ligt onder die tegels. De serveerster gebruikt de tegels om zich routineus en snel over het terras te kunnen verplaatsen. Een wijziging in het patroon schept een onveilige situatie. De kinderen kijken schuldbewust naar hun tenen. Even later gaan ze achter haar aan en springen ze in haar kielzog van tegel naar tegel. De zandbak is een gevaarlijke, want onvoorspelbare zee geworden. Een misstap en je bent verloren.







een
gewone
koffie
menu