20160406-blog-horeca-interieur-gekozen.jpg
Eieren uit het zuur
- 9 augustus 2019 door Edwin -
Tijdens het ontbijt in Weymouth aan de Engelse zuidkust gaat het over het Engelse koningshuis. Lang geleden drukte koning George een stempel op de architectuur van de badplaats. "He was mad," zegt de eigenaresse van de B&B met een ironisch glimlachje, refererend aan een van de maffe fratsen van deze vorst. Het gesprek gaat verder. Als het tien minuten later weer over George gaat, roep ik met een lach: “George? The mad king?” Nu wordt er niet gelachen. Spotten met hun koningshuis is kennelijk voorbehouden aan de diens onderdanen. Ietwat beschaamd richt ik me weer op mijn ‘full English breakfast’. Spiegeleieren, toast, gebakken ham, een worstje, witte bonen in tomatensaus en hash brown, een bruin gebakken koekje van aardappelstukjes. Geen kost voor een vegetariër, ik geef het toe, maar ik kon het niet weerstaan. Het Engelse smulfestijn in de ochtend moest ik nog een keer ervaren. Bovendien was het ook nodig, tenminste, dat hield ik me voor. Ik wil immers graag geloven dat een stevig ontbijt een lichte kater verdrijft. Het ontbijt was inderdaad stevig, maar de kater bleef. Gelukkig was het een vriendelijke kater. De herinnering aan de avond ervoor was namelijk zoet. Dat zat zo.

Anja en ik arriveerden in een zonovergoten Weymouth. Snel door naar het strand, want de zee neemt zorgen en geeft rust. De zee is het einde, letterlijk. Na vijf uur, 140 mijl en ruim honderd rechtsom draaiende rotondes in de auto was dit precies de goede plek. Het zonlicht etste het plaatje in mijn herinnering. We liepen over de boulevard, waaraan vooral gebouwen uit het Georgiaanse en Victoriaanse verleden staan, naar het oude stadscentrum aan de knusse vissershaven. Water, wind en zonlicht speelden met de bootjes en de vele toeristen, waarvan het mannelijke deel met grote glazen bier op de kademuur zat om samen met hun vrouwen en kinderen krabbetjes te vangen. We liepen verder naar de landtong waarop het fort staat. Daar dronken we de eerste op een geïmproviseerd terras bij een houten horeca-keet en waagden daarna al wat licht in het hoofd de milde klim naar het fort. We klommen verder en stonden opeens in een prachtig park waarin honderden mensen lui hun vrije tijd vierden. Het park biedt uitzicht over zee. In de verte ontwaarden we Portland, een schiereiland met een heel eigen geschiedenis waarover ik een andere keer nog zal vertellen.

Om half tien, na een snelle hap in een hypersobere eettent en een verfrissende douche op onze kamer, stapten we met enige terughoudendheid The Globe Inn binnen. Een pub met rode vloerbedekking en een lage bar waaraan krukken met afgezaagde poten stonden. Onze terughoudendheid had alles te maken met onze status als toerist, die zich onwetend over plaatselijke gewoonten tussen de ‘locals’ begeeft. Met schuinse blikken werden we gemonsterd. We mochten plaatsnemen aan de bar. Naast Anja zat een dunne, niet al te lange man van respectabele leeftijd met veel plezier te appen op zijn mobieltje. Hij typte met een pen. We groetten hem toen hij van zijn scherm opkeek. Hij was blij met zijn nieuwe buren en stak meteen van wal. Telkens ging het zo tijdens de acht dagen in Engeland: hoort de Brit dat je twee woorden Engels spreekt (bijvoorbeeld yes en no) dan begint hij een verhaal zonder einde, of je het nu volgt of niet. De jonge barvrouw (geboren en getogen op Portland) bracht ondertussen onze drankjes; Anja een vol glas witte wijn en ik een vol glas ‘ale’. Glazen gebruiken ze hier helemaal. Een dag eerder zag ik een man met drie tot de rand toe gevulde ‘pints’ (ruim een halve liter) van de bar naar zijn plek lopen terwijl hij uit een van de glazen dronk om niet te morsen. Hij vergat daarbij dat hij drie glazen droeg, met als gevolg dat wat uit het ene glas in zijn mond verdween, uit de andere twee glazen op de grond viel. Ook hier lag vloerbedekking. Daarom drinken de meeste gasten de top van hun pint voordat ze van de bar vertrekken.

De man naast ons had ons al meegenomen in zijn treinreis. Een beeldend verteller. Hij was een half uur eerder in Weymouth gearriveerd voor een verblijf van drie weken. Dat deed hij al negen jaar, sinds het overlijden van zijn vrouw. Na aankomst ging hij altijd linea recta naar de The Globe Inn. Dit keer was de treinreis ruim drie uur tegengevallen. Andere jaren duurde de reis vanaf ‘the Scotish borders’ vijf tot zes uur, wat hij acceptabel achtte. In de trein ontmoette hij een advocaat met wie hij afsprak om het spoorwegbedrijf aan te klagen vanwege zijn inefficiëntie. De vele overstapmomenten hadden hem uitgeput, niet in de laatste plaats door het gezeul met zijn bagage en het gebrek aan zitplaatsen. “Kijk,” zei hij, “het zit zo. De reis verdeel ik over vier trajecten van elk maximaal anderhalf uur. Voor elk traject neem ik een blik cider mee. De laatste drie uur zat ik dus zonder. Dat lukt me wel, maar het zijn lange uren.” Hij stak zijn glas John Smiths ale omhoog: “Cheers mates!”, en dronk het leeg. De barvrouw had al een nieuwe in de maak.

Anja heeft in nuchtere staat de neiging om gesprekken te ontdoen van bluf. Grootspraak maakt ze klein. Tommy, zo heette de vijfenzeventigjarige Schot naast haar, was hier zeer van gecharmeerd. Hij moest op zijn tellen passen. Zijn ogen begonnen te schitteren van haar tegengas. Ik was even niet meer nodig, wat me de mogelijkheid gaf om eens op mijn barkruk te rond te draaien.

Naast me vroeg een man om een zakje chips. “Welke?” wilde de barvrouw weten. “Welke denk jij dat ik wil?” reageerde hij nerveus lachend. “Ik denk ‘pickles and onions’,” antwoordde ze en trok een zakje met die smaak open. Ze liep ermee naar een pot met gepelde eieren in een vloeistof en lepelde er twee uit die ze in het zakje chips liet vallen. “Thanks!” zei de man toen hij het zakje van haar overnam. De barvrouw pakte een pepermolen van de kast en begon boven het zakje te malen. Hij zag dat ik iets zag wat ik nog nooit eerder had gezien. “It’s delicious!” verzekerde hij me. Hardgekookte eieren uit het zuur. “Zo kun je ze langer bewaren,” lichtte hij toe. “En je kunt kruiden aan de azijn toevoegen zodat de smaak in de eieren trekt. Really delicious!” Zoals deze man gepassioneerd over deze delicatesse sprak, zo sprak Tommy, onze Schot, over de paardensport. Het leek wel of hij ijlde. Hij ging maar door. Als ik de helft ervan begreep, was het al veel. Opeens ontstak er een lichtje in me: “You were a jockey!” riep ik. Hij knikte, niet zonder trots. Anja zag het meteen voor zich en grinnikte: Tommy als iel mannetje in een strakke broek met een kleurig satijnen blouse erboven en een cap op zijn hoofd. Ja, hij was een jockey, en in die rol vertoefde hij jaren tussen de rijken van het land. Hij trok een pot met ongelooflijke verhalen open. “She was mad!” beweerde hij over een van de stalhouders. “She was really mad, if not to say she was totally bonkers!”

Anja, al enigszins aangeschoten en door Tommy’s verhalen aangestoken, begon een verhaal dat droop van de zelfspot, maar dat ze niettemin met de overtuiging van een topacteur bracht. Kort samengevat kwam het erop neer dat de wereld van de rijken ons totaal vreemd is, sterker nog, we wonen in een hut. “We are poor. We are spending our last penny here in England.” Dit kon Tommy niet verdragen. Hij stond erop de volgende ronde te betalen, iets wat niet gebruikelijk is in de pub. Ik weet niet meer precies hoeveel we nog hebben moeten drinken om Anja’s verhaal te ontkrachten. Twee of drie keer bestelden we de laatste. Een uur na middernacht namen we met innige omhelzingen afscheid van Tommy en liepen we de donkere straten van Weymouth in. Er stond aardig wat wind, flinke golven storten zich met veel geraas op het verlaten kiezelstrand. Ik had zin in een full English breakfast.





she
was
really
mad
menu