20160413-blog-horeca-interieur-easy.jpg
Hangouderen
- 4 oktober 2019 door Edwin -
Sprang-Capelle is een langgerekt dorp. Ergens halverwege is een concentratie van winkels. Dat is het centrum en daar geldt sinds enige tijd een alcoholverbod. Iemand bedacht er zelfs een verkeersbord voor. Ik vraag een inwoonster, bij wie ik aan de keukentafel zit, waarom er een alcoholverbod geldt. "Hangouderen," antwoordt ze met een olijke blik. "Hoewel het eigenlijk maar om een man ging." Lastige man, boefje ook, verstandelijk beperkt, kruimeldiefstal, wegkijkende hoeders van de wet, enzovoorts. Haar verhaal eindigt met de lastpak op de grond, gevloerd door een inwoner die het recht in eigen hand nam. "Finaal op z’n toeter, wat een klap!" Ze stond erbij toen het gebeurde.

Drinken op de openbare weg wekt gemengde gevoelens op. Niet per se negatief, als ik voor mezelf spreek. Zaterdag stapte ik met vijf vrienden om kwart over tien ’s ochtends op de trein naar Amsterdam. Een studentikoze knaap met een halve liter Heineken in zijn knuist ging me voor. Lekker, dacht ik. Ja, dat dacht ik, beseffend dat de macht der gewoonte sprak. Ik had een natte week achter de kiezen en het einde was nog niet in zicht.

Dinsdag bood een klant me na gedane arbeid een fles bier aan. Ik wilde weigeren, maar daar vloog de kroonkurk al door de lucht. Bier moet je niet laten bederven en op een been kun je niet staan. Bovendien verdient een goed verhaal smering. Dus twee pinten werden er drie. Woensdag ging het al niet anders, hoewel ik toen niet wilde weigeren. Een etentje bij mijn vader met broers en zus. De bakermat van de macht der gewoonte. Na drie flessen gerstenat koos ik eieren voor mijn geld en liet ik me rijden. Donderdagavond beloofde er een van doorzakken te worden. Met een vrijwilligersclub vierden we een elke drie maanden terugkerend heuglijk feit in een lunchroom. De zaak sloot echter om elf uur, waarmee we zelfs al een uur extra hadden gekregen. Een kleine groep wilde elders verder, maar nergens brandde nog licht. Daar stonden we, op straat en in de miezer. Vrijdag opnieuw een tevreden klant. Aansluitend een borrel bij de buren. Fijne mensen en zoete ambiance. Heerlijke sushi uit eigen keuken en anderhalve liter bier. Zielsgelukkig kroop ik tegen tweeën onder de wol. Wat een leven.

Drukte op het perron. Een studentikoze knaap met een halve liter Heineken in zijn knuist stapte voor me in. Vanaf Utrecht zaten we bij elkaar, zes vrienden, waarvan de jongste 37 en de oudste 65 is. De oudste is de onbeschaamdste, zijn pensioen is zijn bevrijding gebleken. Hij schept er een puberaal genoegen in om met luide stem schokkende opmerkingen te maken. Ik las ontzetting op de gezichten van onze medepassagiers in de stiltecoupé. In Sprang-Capelle zouden we uit het winkelcentrum gezet worden. Toch bedoelen we het niet verkeerd. We drinken zelden op straat en zijn geen boefjes. Wel zijn we een zootje ongeregeld waarvan de gedeelde geest opflakkert als het reisdoel eensgezind aanvaard is. Ons doel was Eye, het filmmuseum in Amsterdam, waar een tentoonstelling over de Russische cineast Tarkovsky ons naartoe trok. Men mag ons nihilisten noemen, maar alleen in de positieve zin van het woord. De wereld gaat eraan en het leven is zinloos. Dat lezen we in taaie boeken en zien we ook. Slechts kunst kan onze wereld redden. Tarkovsky is kunst.

Op de pont over het IJ geldt een rookverbod. We zagen het verbodsbord te laat en stapten paffend van de boot. Vanaf hier is het niet ver meer. Eye is een bezoek waard, sowieso, maar eerst een versnapering. Het café bereik je door een enorme trap van donkerbruin gebeitst hout af te dalen. Alle tafeltjes bieden uitzicht over het IJ. Het blijft me verbazen hoe zo’n joekel van een ruimte toch zo sfeervol kan zijn. Een van de twee jongedames achter de bar heeft haar lippen met botox laten behandelen. Het valt op, maar ze wordt er niet mooier van. We bestelden allemaal bier, waarvan de prijs ook aardig opgezwollen was. Hierna vermaakten we ons zo’n anderhalf uur met Tarkovsky.

Verkwikt, doch hongerig verlieten we Eye. Op vijftig meter van de aanmeerplek voor het pontje staat een eetgelegenheid die niet toevallig De Pont heet. Een prettige zaak, tikje hip, met een ontspannen etend en drinkend publiek. We bestelden allemaal een uitsmijter en bier. Een jongen aan een tafeltje verderop bevrijdde zijn lange haar uit een staart. Zijn licht golvende, donkere haar toverde zijn zachte, jeugdige gezicht om naar dat van een meisje. Ik probeerde mijn ogen van hem af te houden, wat niet lukte. Hij deelde het tafeltje met twee meiden, studentes waarschijnlijk. Gedrieën vorsten ze de wereld op geanimeerde toon met hun prille levenswijsheid, ondertussen bedachtzaam nippend van hun glazen witte wijn. Ze hadden het goed samen. En wij ook.

In de trein terug hield ik me bezig met kijken naar een jonge moeder en haar kindje van een paar maanden oud. De kleine dikkop had het naar zijn zin. Hij sabbelde op een rammelaar als Obelix op een everzwijnbout. Nu moet hij slapen, vond moeder. Ook in de kinderwagen was hij senang. Hij stopte een voetje in zijn mond. Mama legde een dekentje over hem heen en haalde het even later weer van hem af, en er weer op en er weer af.

In Den Bosch bleek er nog gespreksstof over te zijn, dus gingen we naar Café De Palm. In deze bruisende pijpenla dronken en praatten we tot diep in de nacht. Praten praten praten. Als al onze woorden chocoladeletters waren geweest, hadden we het IJsselmeer ermee kunnen vullen.

Bling! Mijn telefoon wekte me de volgende ochtend. Een appje van mijn broer. “Zwaantje doen vanavond?” Moest ik maar eens doen, dacht ik. Ellebogen op de bar, een paar Duveltjes wegtikken en niet teveel zeggen. Een beetje tot rust komen na al dat sociale verkeer. Hangouderen hebben dat nodig.





als
woorden
chocoladeletters
waren
menu