2018-gastvrijheid-interesses.jpg
Ongevaarlijk
- 22 november 2019 door Edwin -
In een voortuin aan het eind van de straat maakt een boom zich op voor de winter. Nog een keer stralen voordat hij zijn bladerdek verliest. Een bladerdek dat ongemerkt van onopvallend groen naar indringend geel veranderde. De kleurenpracht van de herfst viel me al eerder op. Toch had ik er pas dit jaar woorden voor: de tweede bloei.

In de film Midsummar deelt een sekte het leven op in de vier seizoenen. De lente loopt tot en met je achttiende jaar. Op je zevenendertigste begin je aan de herfst. De laatste achttien levensjaren noemt de sekte de winter. Een sektelid haalt een hand over zijn hals als antwoord op de vraag van de hoofrolspeelster wat er na je tweeënzeventigste gebeurt. Even later zien we een man en vrouw van die leeftijd van een rots springen. Midsummar is een bevreemdende film.

Ik zit dus in de herfst van mijn leven. Dat kun je ook wel zien, hoewel mijn bladerdek niet zo straalt als van die boom hier in de straat. Ik ben ongevaarlijk getuige het praatje dat een meisje van de bediening met me maakte in de eet- en drinkgelegenheid van een bioscoop annex theater.

Iemand vroeg me of ik aanhaakte bij de première van de film Sorry we missed you. Misschien zouden er nog een paar meegaan, misschien niet. Ik haakte aan. De film kwam hard binnen. Na afloop konden we wel een drankje gebruiken.
We namen plaats op de barkrukken aan de grote, hoge tafel nabij de bar. Een fijne plek met overzicht. Veel volk in deze enorme eet- en drinkgelegenheid. Het stel dat misschien wel, misschien niet zou meegaan, verscheen nu pas. Zij was klein, had donkere priemende ogen en halflang haar in een los staartje. Hij droeg een lange zwarte overjas, had een donkerblauw mutsje op en keek levenslustig vanuit een doorleefd gezicht de ruimte in. “Oi,” groette hij met een onmiskenbaar Engelse tongval. Hij had een rol kunnen hebben in de Britse film die ik zojuist zag. Will was zijn naam.

Engelsen gaan er voetstoots vanuit dat Nederlanders hun taal spreken. Will stak dan ook vrolijk van wal. Hij kwam uit de buurt van Leeds. Zijn tweeëntachtigjarige vader woonde er nog steeds, inmiddels met een twaalf jaar jongere vriendin. Will had haar gevraagd of zijn vader er nog iets van bakte in bed. “Even with a bomb under his balls there’s still no movement,” had ze met een lach geantwoord. Toch was ze stikjaloers. Telkens als vaderlief met zijn hond terugkwam van een wandeling in het park vroeg ze met nadruk of hij een praatje had gemaakt met vrouwen die daar ook rondhingen. Vader antwoordde haar steevast dat hij niemand had gesproken. “I watched my dog taking a shit.” In vertrouwen knipoogde hij naar zijn zoon. Hij ging wel degelijk naar het park voor een praatje.

Uit de drukte aan de bar was op te maken dat een andere film was afgelopen. Ik groette een man uit mijn dorp. Hij groette verlegen terug. Ik ken hem niet goed, maar wel als verlegen. Sinds enige maanden staat hij er weer alleen voor. Zijn vrouw viel voor een ander. Deze eet- en drinkgelegenheid is ook een ontmoetingsplek voor mensen die iets nieuws willen beginnen. Mij is dat tot dusverre bespaard gebleven. Will niet, hij kende het spel en vertelde er graag over in sappig Engels.

Een vriend vroeg hem jaren geleden een keer mee naar het alleenstaandenbal in het voormalige party-centrum de Hooghei. De laatste hoop, zo stonden deze avonden bekend. Op de parkeerplaats waren rond sluitingstijd flink wat autoruiten aan de binnenkant beslagen. Will had het een en ander meegemaakt in zijn leven, maar dit nog niet. De avond liep op z’n eind, de zaal leeg. Een desperate man sprak alle nog aanwezige vrouwen aan of ze met hem wilden. “He approached at least fifteen women. ‘Noiken?’, was all he asked”, herinnerde Will zich.

Met een diepe zucht plaatste een meisje van de bediening haar dienblad op de hoge tafel en keek me met haar pientere ogen verwachtingsvol aan. “Heb je het een beetje gehad?” vroeg ik. “Pfoe!” steunde ze. “Zeg dat wel. En ik moet nog tot twee uur.” Ik keek op mijn mobieltje: het was tegen elven. Haar hele wezen vertoonde echter geen spoortje vermoeidheid. Dit was een twintiger in de bloei van haar leven. De eerste bloei. Even babbelen. Ze had deze week al dertig uur gedanst, repetities voor school. “En om twee uur moet ik nog twintig minuten fietsen. Ik woon anti-kraak, midden in het groen, in een dorp. Ik, in een dorp. Zo leuk. Had ik niet verwacht.” Haar blik begon de ruimte weer rond te schieten. Ze nam het dienblad met beide handen van tafel en vertrok weer. “Nou, doei!”
Een tijdje terug vertelde een prille dertiger me dat de Bossche Verkadefabriek in de ogen van zijn leeftijdsgenoten als een suffe tent voor midlifers bekend staat. Ik vind het een toffe tent.









een
toffe
tent
menu