Café de Zwaan: Sappelen

- 02 July 2020 door Edwin Timmers -

Huis ten Bosch is een themapark in Japan. Een van de gebouwen in het park dat in 1992 werd geopend is natuurlijk een exacte kopie van paleis Huis ten Bosch. Koningin Beatrix stond echter niet toe dat het interieur van het originele paleis werd gekopieerd. Was ze bang dat ze zich teveel thuis zou gaan voelen in den vreemde? Is een interieur eigenlijk wel te kopiëren?

De gebouwen in het Nederlands Openluchtmuseum zijn niet gekopieerd, maar compleet van hun oude plek naar een nieuwe stek in Arnhem verplaatst. Ik was negen toen ik er voor het eerst kwam en ik was er ondersteboven van, zo mooi. Maar toen was ik nog jong en onwetend.

In mijn woonplaats zat tot voor kort een kroeg in een statig, oud pand. Een paar jaar geleden werd het oude interieur eruit gesloopt vanwege te oubollig. Ik kon wel janken, maar mocht er niks over zeggen omdat ik geen vaste klant was. Het nieuwe interieur sloeg de plank volledig mis. De kroeg heeft het niet gered. Corona, niet het interieur, gaf de nekslag.

Interieurs groeien en op zeker moment zijn ze volwassen. Daarna begint de aftakeling en dat is zelden een probleem. Mijn stamkroeg een paar dorpen verderop heeft zo’n inrichting. Een niet te vervangen inrichting. Ik ben eraan gehecht. Heel veel donkerbruin gebeitst hout, een prominente bar, een tot op de nerf versleten planken vloer en zwaar behang in een onbestemd donkere roodtint. Ik kom er niet vaak, maar wel graag. Het is sappelen voor de uitbater. Zondag vertelde mijn tintelende neus dat ik er naartoe moest.

Op het granito terras, onder de antieke houten overkapping, zitten drie mannen, van wie ik er een ken. Zolang ik hem ken, schermt hij zijn innerlijk van de buitenwereld af met gevatte kolder. Op mijn vraag of ik bij hen kan komen zitten, zegt hij dan ook dat dat niet kan omdat het vol is. Ik loop door naar binnen om vast te stellen dat er niemand aan de bar zit. De barvrouw wil best nog een pilsje voor me tappen, maar drukt me op het hart dat ze over een half uur, om negen, sluit. Prima. Dan vraagt ze me of ik mijn naam op een lijst wil noteren. Het nieuwe reserveren is kennelijk het bevestigen van je aanwezigheid. Stupide onzin, maar ik houd me in, schik me zelfs. De lijst ligt op een wit zuiltje waarop verder een doosje met latex handschoenen en een verstuiver met ontsmettingsmiddel staat. Het zuiltje staat op het terras, je kunt er eigenlijk niet omheen, wat waarschijnlijk ook de bedoeling is. Ik schuif een stoel naar de tafeltjes waaraan het drietal zit en zet me. Een ongemakkelijke situatie.

De barvrouw zet een Duvel voor me op tafel en vraagt zich hardop af of we op anderhalve meter zitten. Ik zwijg omdat ik het niet met zekerheid kan zeggen en omdat het me ook niet kan schelen. Gesprekken komen tegenwoordig te gemakkelijk op corona en dat gun ik het virus niet. Ook zwijg ik omdat ik een golfje melancholie te verwerken heb. Als dit café niet meer volk gaat trekken, is het spoedig einde oefening, vrees ik.

De ongemakkelijke situatie zakt weg, het gesprek komt zuinigjes op gang. We hebben het over afwassen, sieraden en shoppen. Over straatwerk en biljarten in de jungle. Over festivals die niet doorgaan en griepjes die best wel eens… verdorie, daar is corona weer. Zonder licht door donkere bossen fietsen is het onderwerp dat het gesprek vlot trekt. De stratenmaker heeft goed licht op zijn fiets. Pas recentelijk kwam hij erachter dat de lichtbundel van zijn koplamp in hoogte verstelbaar is. “Aan de zijkant zit een schuifje waarmee ik dat kan regelen,” zegt hij en nodigt me uit om mee naar zijn fiets te gaan kijken zodat ik het schuifje met eigen ogen kan vaststellen. Inderdaad, de koplamp heeft een schuifje. Zijn fiets heeft ook een accu. Een gesprek over elektrische fietsen probeer ik te vermijden. “In 2019 werd een recordaantal van 420.000 nieuwe e-bikes verkocht in Nederland,” meldt de site van BOVAG. Dat is 42% van het totale aantal verkochte fietsen dat jaar. Ander onderwerp.

Volgens de barvrouw mag er niet meer gerookt worden op overdekte terrassen. Ze zag me een sjekkie draaien en waarschuwde alvast. Het terras wordt van het trottoir gescheiden door een kniehoog bakstenen muurtje waarop een plantenbak staat. Aan de trottoirkant van het muurtje rook ik mijn peuk. Ondertussen kan het gesprek gewoon doorgaan. Aan de andere kant van de weg fietst een seizoenarbeider voorbij. Hij heeft de capuchon van zijn rode hoodie tot over zijn ogen getrokken en draagt afgetrapte werkschoenen. Zijn fiets is gammel, zijn vaart minimaal. “Mannen met een hoodie vertrouw ik dus niet,” zegt de stratenmaker met een knik in de richting van de fietser. “Ik draag ook een hoodie,” reageer ik. De stratenmaker neemt rustig een slok van zijn bier en zegt dan met een spottend glimlachje om zijn mond: “Wie zegt dat ik jou vertrouw?”. De toon is gezet. We mogen nog een uur door van de barvrouw. “Nog een Duvel, Edwin?”

terug

Niet

Te

Vervangen

Inrichting