Pieperz Noordkade Veghel: Volkskeuken in een ketel

- 02 February 2020 door Edwin Timmers -

Zowat elk restaurant in Nederland serveert ze en toch staan frieten in laag aanzien. Een culinair hoogstandje is het dan ook niet, de bereiding is te simpel, maar ze zijn wel ontzettend lekker. Niemand gelooft me als ik beweer dat ik best elke dag frieten wil eten. Toch is dat zo, en het maakt me niet uit of ze bereid worden in een doods kot of in een ultrahippe snackbar. Hoewel ik moet toegeven dat ik een lichte voorkeur heb voor zo’n hippe variant. Het oog wil tenslotte ook wat. Pieperz heeft het oog veel te bieden.


Pieperz zit in de Proeffabriek op de Noordkade in Veghel. De Noordkade is industrieel erfgoed en sinds enige jaren de culturele en culinaire trekpleister van dit Noord-Brabantse dorp. De Proeffabriek is ondergebracht in een van de voormalige fabriekspanden op dit terrein. Pieperz zit op de begane grond, de schuifdeuren door meteen rechts, in het voormalige ketelhuis.

De naam ketelhuis suggereert dat er ooit een ketel stond. Dat klopt, sterker nog, de ketel is er nog steeds, maar dan liggend en plaats biedend aan zo’n twaalf personen. Inderdaad, de ketel is een functioneel onderdeel geworden van het meubilair van deze friettent. Snacken in een bonk dikwandig staal. Het pronte ding is een aandachtstrekker, maar eist desondanks niet alle aandacht op. Hiervoor is de rest van het interieur simpelweg te boeiend. Deels op de ketel, deels op een constructie van stalen balken rust een houten verdiepingsvloer, waarop zeker dertig mensen van hun vette hap kunnen genieten. De verdieping is open, ruimtelijk. De bruintinten van staal en hout geven het een warme sfeer.

Ik bestel een friet met zogenaamde ‘brander’ mayonaise. Feitelijk gewone mayo met wat mosterd en zwarte peper. Erg lekker. De friet is gemaakt van aardappels in de schil. De aardappels worden met een fors apparaat live gesneden en vervolgens voorgebakken. De eerste associatie bij deze friettent is ambachtelijkheid. Het meisje dat de aardappels snijdt, hoeft ’s avonds niet naar de sportschool. Zwaar werk. Op een van de wanden hangt een metershoge zwart-witfoto van een gespierde sjouwer met opgestroopte hemdsmouwen. Ernaast staat een stalen zakkenlift, waarmee decennia geleden zakgoed van vijftig kilo of meer handmatig naar een hogere verdieping werd gehesen.

Mijn friet wordt gebracht in de ketel, waarin ik uit nieuwsgierigheid plaatsnam. De zitjes zijn bekleed met appelgroene skai en dat pakt verrassend goed uit. Door deze kleur lijkt er licht uit de ketel te stromen. Een fijne zitplek. Het geluid in de ketel is aangenaam zacht, ook dat verrast me.

De lampenkappen zijn gemaakt van ondersteboven hangende metalen aardappelmanden. Alles draait hier om de aardappel, wat natuurlijk begrijpelijk is. De aardappel op een voetstuk, maar dan wel het eigen ras dat een akkerbouwer uit de buurt van het Friese Joure voor hen teelt. Ja, Pieperz heeft zijn verhaal op orde. De papieren placemat die onder mijn frietbakje op het dienblad ligt, vertelt in elf punten het verhaal van boer tot friet, eindigend met de sterke bedrijfsslogan ‘Vet lekker!’. Ik ben niet erg vatbaar voor ‘het verhaal’ van een bedrijf. Dergelijke verhalen verhullen doorgaans meer dan ermee wordt opgehelderd. Maar de vormgeving van het verhaal op de placemat pakt me wel. Een stripachtige uiteenzetting, opgemaakt in zwart en aardappelkleur.

Het mooist van deze zaak vind ik het plafond boven de balie en de keuken daarachter. Dit plafond is verlaagd en krult zich met een ruime ronding vanaf de balie omhoog de zaak in. Het is bekleed met keramische tegels. Telkens een witte tegel tegen een witte tegel met Delfts blauwe opdruk. Ook dit is een aandachtstrekker zonder alle aandacht op te eisen.

Een man die tegelijk met mij binnenstapte kijkt net zo gretig rond als ik. Hij zal hier eveneens voor het eerst zijn. Als hij zijn hamburger achter de kiezen heeft, wil hij ongezien vertrekken. Een medewerkster achter de balie merkt hem op. “Was het allemaal naar wens?” Hij schrikt er een beetje van, trekt zijn hoofd wat dieper in de kraag van zijn zwartleren jack en mompelt: “O, jawel hoor.”

Met een vinger (want dat mag in een friettent) schraap ik de laatste restjes brander mayonaise uit het hardgeperste kartonnen bakje en zet alvast mijn muts op. De alerte medewerkster achter de balie ziet hierin de aankondiging van mijn vertrek. Ze gaat alvast in de houding staan. Als ik halt houd bij de balie vraagt ze me op dezelfde orde scheppende juffentoon of alles naar wens was. Ik bevestig en vraag of ik de placemat mag meenemen. Dat mag, maar ze pakt wel even een schone. “Hoeft niet,” zeg ik, “allemaal afval, ik neem deze gewoon mee.” Haar blik geeft te kennen dat ze dit heel raar vindt. Maar het mag wel.



terug

elke

dag

frieten

eten