Bahnhofsvision Kornelimünster: Het mooiste terras ooit

- 30 July 2020 door Edwin Timmers -

Een verhaal kan best zonder een inleiding. Toch schreef ik er een bij dit verhaal, omdat ik meende dat het de lezer in de juiste stemming brengt voor een bezoek aan het mooiste terras ooit. Wie denkt zonder inleiding te kunnen, scrolt door naar de plek waar drie plustekens staan. Alle anderen beginnen bij de plus hierna.

 

+

Het was mijn taak. Ik zou de overnachtingen boeken. Mijn vriendin vond alles goed. “Regel het maar,” zei ze, zichtbaar vrezend dat er iets fout zal gaan. Haar vrees werd waarheid, maar het pakte alsnog bijzonder goed uit.

Om twaalf uur ’s middags belden we aan bij de B&B in het Belgische Raeren waar we, meende ik, twee overnachtingen zouden hebben. De eigenaar reageerde meteen nerveus. Hij dacht dat hij een fout had gemaakt. Maar de fout lag, ik zei het al, bij mij. Hij had nooit een bevestiging van mij ontvangen. Die had ik wel getypt, maar nooit verstuurd. Het gezicht van de man klaarde op. Desondanks bood hij zijn excuses aan, die wij beteuterd accepteerden, en wees ons op een alternatief: Hotel Eifeler Hof, op een steenworp afstand van het voormalige Bahnhof Raeren. Het toeval wil dat we daar toch al moesten zijn, maar daarover zo meteen meer.

Raeren ligt in het Duitssprekende deel van België. De eigenaresse van Eifeler Hof – een praatgrage dame van ver in de zeventig die ons met een volle wasmand in haar armen verwelkomde – was gezien mijn nauwelijks waarneembare beheersing van de Duitse taal bijzonder welwillend. Ze had, even kijken, jawel, ze had nog precies één kamer voor twee nachten vrij. Wij blij. Haar partner wees ons na het inchecken met luide stem op een café een stukje verderop aan de voormalige spoorlijn. Daar konden we terecht voor een goeie kop koffie en eventueel wat sterkers. Hij wist zeker dat die zaak ons zou bevallen.

Raeren ligt aan de Vennbahn, een spoorlijn die in 1885 gereed kwam en liep van Aken tot in Luxemburg. Nog geen eeuw later werd de lijn opgedoekt. Het zaakje raakte in verval. Ergens in de tachtiger jaren van de vorige eeuw werd besloten een fietspad aan te leggen aan het voormalige tracé van zo’n 125 kilometer lang. Dat wilde ik zien, daar wilde ik fietsen.

Deze eerste dag wilden we van Raeren naar Aken. Doch eerst wat aansterken in het café dat ons zojuist getipt werd. We beperkten ons tot een flinke punt appeltaart en een kop koffie. Het duiveltje in mijn hoofd fluisterde dat ik hier terug moest komen, inderdaad, voor wat sterkers.

De fietsrit naar Aken was prachtig. Vergenoegd trapten we door het licht glooiende, bulkend groene landschap. Halverwege, in Kornelimünster, passeerden we een voormalig stationsgebouwtje dat omgebouwd was tot café-restaurant met een groot en, naar coronabegrippen, druk terras. “Hier wil ik straks een pint pakken,” zei ik tegen mijn vriendin. Goed idee, vond ze. In Aken, waar we snel wat aten, draaiden we onze fietsen 180 graden om teneinde hetzelfde traject in omgekeerde richting nog een keer te fietsen. In Kornelimünster stapten we af voor de pint die we onszelf beloofd hadden. Bahnhofsvision, zo heet deze uitspanning. Het stationsgebouw zelf heeft een fraaie inrichting, waarin oude functionele elementen fraai zijn ingepast in een verbouwing op moderne leest. Het terras is enorm. Deels op de oude perronverharding en deels op stukken gras en stukken met een verharding van ballastgrind. Rondom veel schaduw schenkend groen, wat prettig was op deze boven verwachting zonnige dag. En ach, toch nog maar een Bitburger, we hoeven tenslotte nog maar zo’n tien kilometer te fietsen, weliswaar heuvelop, maar zeg nou eerlijk, wat zijn die tien kilometers op een mensenleven? Twee uur later raakte ik het matras, een minuut daarna sliep ik. Buiten was het nog licht, zei mijn vriendin de volgende ochtend.

De tweede dag ging van Raeren naar Monchau, een klein, pittoresk en hypertoeristisch dorpje aan een rivier in een weldadig groen dal. De eerste achttien kilometer van de rit gingen heuvelop. Stiekem wel kilometers die de benen niet vergeten, zeker niet na wat onderschatte hellingen nabij Monchau. Tegen vieren aanvaardden we de terugreis, gretig uitziend naar de laatste achttien kilometers heuvelafwaarts. In het plaatsje Roetgen, met nog acht kilometer freewheelen te gaan, was het tijd voor een drankje. We streken neer op een onooglijk terras bij een wellnesscentrum. Mogen ook best twee drankjes zijn, vonden we, want het is tenslotte vakantie, enz.. Aan het tafeltje naast het onze zat een stel met een tienjarig kind en een lieve jonge hond. Het stel zat ontzettend te genieten van de rust die hen kennelijk vreemd was. Hij had een groot glas bier en een volle roemer gin tonic voor zich staan; zij zat aan de Aperol Spritz. Ze genoten, de glazen werden spoedig hervuld. Opeens begon hun hond te blaffen. De oorzaak van zijn onrust was een andere hond, aangelijnd en trouwe vriend van een stel op leeftijd dat braaf aan de wandel was. De tafel van het stel naast ons ging om, het volle glaswerk spatte uit elkaar tegen de natuurstenen terrasverharding. De lieve jonge hond was eveneens aangelijnd. Het uiteinde van de lijn zat echter vast aan de tafelpoot. “Scherben bringen Glück,” zei de nuchtere serveerster even later toen alles weer aan kant was en ze een nieuwe ronde pils, gin tonic en Aperol Spritz kwam brengen. Wij deden ook nog een rondje – het was tenslotte vaka, enz.. Ik hief het glas en voelde gerommel in mijn maag. “We moeten nog eten,” zei ik. “Maar eigenlijk wil ik gewoon zitten op het terras waar we gisteren zaten. Dat terras dat de partner van de eigenaresse van ons hotel ons tipte.” De ogen van mijn vriendin draaiden in hun kassen, er was denkwerk gaande. “Misschien hebben ze daar wel wat te eten,” antwoordde ze. “Zou het?” reageerde ik. “Gisteren hadden ze in ieder geval taart,” stelde ze vast. “En taart is eten.”   

+ + +

Bahnhofscafé Raeren heet het, maar ook Biergarten en Pavillon am Stellwerk. Alle namen kloppen. Midden over een open plek loopt een roestige spoorlijn die op een strook grijs-bruin ballastgrind ligt. De open plek wordt aan een kant begrensd door een weelderig bos en aan de andere kant door het ‘balkon van Raeren’, een heuvelzoom die uitzicht biedt over het landerige dorp te midden van beheerd groen. Het spoor bepaalt alle andere lijnen in de vormgeving van de biertuin die het Bahnhofscafé feitelijk is. Op het stuk spoor bij de biertuin staan twee wagons, te weten: een oude zeewiergroene personenwagon en een bruine wagon, een platte wagen voor zware lasten zoals landbouwmachines. De personenwagon is opgeknapt en te gebruiken als drank- en eetgelegenheid; de platte wagen is omgebouwd tot een verhoogd terras. Aan de wagons, tegen het spoor, zijn stelconplaten gelegd. Deze platen zijn via stalen loopbruggen verbonden met de stelconplaten die voor het in 2018 gereed gekomen paviljoen liggen en die tevens het terras vormen, het terras vóór corona. Door de  afstandsmaatregelen zag de uitbater zich namelijk gedwongen het terras uit te breiden over een stuk grond dat verhard is met ballastgrind. Het geheel, zijnde een horecagelegenheid die zich uitstrekt over ruim 300 vierkante meter, is retestrak van opzet, maar wint aan schoonheid door de nonchalante ruigte van de omgeving.

“Wij sluiten pas als de laatste gast vertrekt,” geeft de uitbater mijn vriendin en mij in rollend Vlaams te kennen, wat goed uitkomt, want betekent dat ons zitvlees de sluitingstijd bepaalt. Hij heeft eten voor ons, maar we moeten er niet teveel van verwachten en bovendien is het brood op, wat neerkomt op de consumptie van de chili con carne als dikke soep, met een lepel, twee lepels in ons geval. We bestellen een portie noodlesalade en een portie chili con carne en lopen door naar het paviljoen waarin drie manshoge en even brede koelkasten vol speciaalbieren in een rij staan. Bij elke bestelling krijg je een bakje kaas, een bakje pinda’s en een bakje Japanse knabbelmix. Je hoeft alleen maar te zeggen welk bakje je niet wilt.

Maar alles wordt uiterlijke schijn op het moment dat mijn lome benen de last van mijn bovenlijf even niet meer hoeven te dragen. En hup, daar gaat de eerste slok Duvel. Het licht van de zakkende zon lijkt op geëlektrificeerde stroop en er zijn geen muren. Dit is een avond die zonder woorden kan, ik voel het, maar woorden zijn weerbarstig. De omgeving lijkt een projectiescherm voor prettige herinneringen, voor voornemens evengoed die opklotsen en uiteenvallen op de vrees ooit nog te moeten opstaan van de stoel waarop ik nu zit. We lepelen de kom chili con carne leeg en daarna de kom noodlesalade.

Het paviljoen is een gestileerd frietkot met een ruim overstekend dak. Ik zet mijn mondkapje op en loop er binnen voor de volgende ronde, zeker niet de laatste. Gasten komen en gaan. Vier potige mannen, veertigers, parkeren hun ATB en zoeken een plek. Hun wensen zijn bekend bij hun voorman, feitelijk het pispaaltje dat door de hiërarchie in de groep gedwongen is altijd naar de bar te lopen. Twee cola light en twee Jupiler, bevestigt hij wat niet werd uitgesproken. De Jupiler-drinkers zijn het stoerst, hun stemmen gaan het diepst en klinken het hardst. Twee vijftigers nemen plaats en zetten allebei een fles oude geuze van Boon op tafel, een bier voor fijnproevers, verdomde lekker. Twee zestigers, een stel, een man en een vrouw, stappen uit een glanzende middenklasser van Opel. Het zijn locals die door corona hun vakantie in de regio doorbrengen. Na twee speciaalbier zegt de man oprecht en in zijn eigen, lokale Duits dat hij nu, hier zittende, opeens beseft dat de mooiste plekken zich het dichtst bij huis bevinden. In zijn plaats zou ik op dit moment hetzelfde kunnen beweren.

 

terug

de mooiste

plekken

het dichtstbij

huis

horeca inrichting Duurzaam interieur Hergebruik Beleving in de horeca Inspiratie voor ondernemers Out of the box denken Verhalen uit de horeca industriële inrichting terug