Clandestiene verwennerij

- 06 April 2021 door Edwin Timmers -

Ze bestaan, mensen die al voor het rammelen van de wekker naast hun bed staan te stuiteren. Zo iemand ben ik niet en het is er ook niet beter op geworden sinds ik af en toe een jointje opsteek voor het slapen gaan. Goed medicijn tegen lockdownstress. Maar ook gewoon lekker die wietroes, zeker in combinatie met bezwerende techno. Je moet tenslotte wat als je je verhalen niet kwijt kunt aan de bar. Hoewel, twee weken geleden had ik mijn verhalen wel degelijk aan de bar kwijt gekund, maar toen lukte het niet omdat ik alleen maar kon lachen. Zo blij was ik, oprecht vrolijk omdat ik in een kroeg zat met een fles bier voor mijn neus, luisterend naar maffe verhalen van anderen. Een clandestien kroegbezoek. Ik kan het uitleggen.

“Je moet wat,” zei ook de jongen die staande naast zijn scooter een paar brownies stond weg te werken. Eerder die zondag fietste ik door het bos. Bij een picknickplaats op een punt waar het fietspad de doorgaande weg kruist stonden zo’n honderd scooters in vleugelformatie. Op die scooters hielden evenveel jongelui de motors draaiende door onophoudelijk dotjes gas te geven. Ondertussen keken ze naar waaghalzen die op het achterwiel voorbij scheurden en naar duiveltjes die om het snelst tegen elkaar raceten. Zouden ze een anti-coronamaatregelenactie in de zin hebben? Ik had het hen kunnen vragen, maar fietste verder. Dit is geen activisme, oordeelde ik, dit is vertier met een klein middelvingertje naar de brave grotemensenmassa. Krap een uur later liep ik de Coop uit met een paar Duvels onder de arm en zag ik de jongen met de brownies. Ik vertelde hem wat ik zojuist in het bos had gezien. Hij keek me onderzoekend in de ogen en zei toen dat hij daar net vandaan kwam. Na vijf uur scooteren vond hij het welletjes. Het was niet de eerste keer dat hij zo’n bijeenkomst, die via Whatsapp of Telegram wordt geïnitieerd, bijwoonde. “Je moet wat,” zei hij. Pas nog verzamelden ze bij Waardenburg, een dorp aan de andere kant van de Waal bij Zaltbommel. De politie was geïnformeerd en installeerde zich met een paar rollenbanken op de brug over de Waal. De scooteraars waren op hun beurt gewaarschuwd en besloten om via een andere route naar huis te rijden. “Ik denk dat ik zo’n vijftig kilometer heb omgereden,” vertelde de jongen. “Een uur later thuis,” rekende ik hem voor, uitgaande van vijftig kilometer per uur. “Vijftig kilometer per uur? Nee joh, het dubbele,” reageerde hij trots. Zijn scooter is opgevoerd, de technische details bespaarde hij me niet. Als de politie zijn racemonster op de rollenbank had gezet, had hem dat duizend euro gekost, all-in, dus boete plus nieuwe onderdelen plus herkeuring bij de RDW. Ik groette hem en stapte een barverhaal rijker op mijn fiets.

De wekker wekt me. Vanaf dat moment heb ik een half uur om me te fatsoeneren, mijn brood te smeren en een pot koffie te zetten. Ik draai me echter op mijn andere zij en snoep gauw nog tien minuten van het halve uur af. Precies op de afgesproken tijd arriveer ik op de klus: het storten en monolithisch afwerken van een betonnen terrasvloer bij een café restaurant. Het stel dat de zaak leidt is blij met mijn komst en die van mijn twee collega’s. Hij haalt alvast koffie. Na het storten van de beton moeten, ja moeten we opnieuw aan de koffie. Dit keer ligt er een berg worstenbroodjes naast. Of we even willen meelopen voor een rondleiding door de zaak. Het restaurant is namelijk verfraaid en zo nog wat dingen die in de drukke tijd waren blijven liggen. Er vallen geen stiltes. De vrouw van het stel heeft een verteltalent, hij schikt zich in haar woordenvloed. “Hey milfje!” Met deze woorden neemt ze de telefoon op. Het is de moeder van een vriendje van haar jonge kinderen. Of ze kunnen afspreken.

Zij runt de kroeg, hij doet de keuken. Grofweg zijn zo de rollen verdeeld. We geven haar alle ruimte om over de kroeg te vertellen. Dronken klanten met een grote bek blijkt ze met gemak klein te krijgen. Tachtig kilo spareribs per week. Zomaar een hoeveelheid om aan te geven dat de afhaalmenu’s prima lopen. De koffiepauze duurt ruim anderhalf uur. In die tijd passeert een legertje aan figuranten de revue. De buurvrouw met een lege fles wijn waarmee ze de glasbak gaat voeren, kinderen, een bouwvakker van om de hoek, de voormalige bakkersvrouw, 92 reeds, enzovoorts. De mensen die niet langskomen, gaan wel over de tong. Het is bijna middag, tijd om de terrasvloer tot een spiegeltje te gaan vlinderen. “Hoe laat willen jullie eten?” vraagt de man van de keuken.

Nadat we de eerste ronde vlinderwerk achter de rug hebben, worden we naar binnen geroepen. Het eten is klaar. Drie boordevolle borden. We besluiten buiten te eten, want de zon schijnt. Tot onze grote spijt krijgt geen van ons drieën zijn bord leeg. Hoe hard we ook proberen, het is gewoon teveel – sorry. De vrouw roept vanuit de kroeg of we nog koffie willen, of iets anders. Dat ‘iets anders’ is een hint. “Straks!” roepen we in koor.

Om vier uur glanst de betonvloer van voor tot achter en zijn de machines netjes in de bedrijfsbus opgeborgen. We kloppen ons het stof van de kleren en stappen via de nieuwe vloer de kroeg binnen. Rondom een grote tafel staan acht barkrukken, waarvan een reeds bezet. De man op de kruk lacht vriendelijk terwijl hij een fles bier op zijn lippen zet. Ik watertand. We nemen plaats. Een lokale reclamemaker plakt stickers met het bedrijfslogo op de ramen van de kroeg. Of hij ook een pintje wil. “Nog één raam,” antwoordt hij. De vrouw van de kroeg komt gelopen en zet met donderend geraas een krat Jupiler op de bar. Ze deelt uit, neemt vervolgens plaats en trekt zonder moeite het dunne verhaaltje dat aan tafel begon te ontstaan uit zijn voegen. Dit is beter dan cabaret. Ze steekt een sigaret op en hult haar woorden in rook. De man van de keuken schuift aan en even later doen twee van zijn keukenhulpen in kokstenue hetzelfde. Jonge hulpjes die het gesprek volgen terwijl ze op hun mobieltje scrollen. De reclameman is nu ook klaar voor een toast op het weekend en op, dat waren we al bijna vergeten, het nieuwe terras. Ik wacht het juiste moment af om het verhaal over de honderd scooters in het bos te vertellen. Het moment is eindelijk daar, maar het lukt me niet. Ik kan alleen nog maar lachen, het zal van geluk zijn. Ik tutter mijn tweede Juupke leeg en vertrek (als eerste) onder begeleiding van veel bedankjes en gelukwensen over en weer. Als ik de sleutel in het contact steek, zie ik in mijn rechterooghoek een onaangeroerde broodtrommel en een volle thermoskan koffie op de bijrijdersstoel liggen.

terug

koffie?

of

iets

anders?

Beleving in de horeca Verhalen uit de horeca Verhalen aan de bar Gastvrijheid terug