Blue Collar Hotel: gastvrijheid met rock & roll mentaliteit

- 18 November 2020 door Edwin Timmers -

Opzij, opzij, opzij, maak plaats, maak plaats, maak plaats, ik heb een ongelooflijke zin om naar de kroeg te gaan. Maar dat kan niet, sterker nog, het mag niet. Toch brandt er nog licht in horeca-land, op een laag pitje weliswaar, in hotels om precies te zijn. Ik benaderde het Eindhovense Blue Collar Hotel met het verzoek om een rondleiding. Een flitsbezoek aan deze fraaie uitspanning zal de staplust enigszins bevredigen, hoopte ik. Gewoon een beetje ruiken, een beetje proeven. Per omgaande e-mail zette medewerker Sytse het licht op groen.

Sytse zit achter de receptiebalie. Zijn lange baard kan zijn open, vriendelijke gezicht niet verhullen. Deze baard in combinatie met zijn zwarte kleding verraden een affiniteit met muziek, specifiek het rockgenre in de breedste zin. Mijn eerste associatie bij zijn verschijning is muzikant. Bovendien is de associatie van rockmuziek bij dit hotel een terechte. Het bevindt zich in het Klokgebouw aan de zijde waar tegenover tot voor kort een parkeergarage stond en nu dus een dure plak grond braak ligt te liggen. Het Klokgebouw is de rocktempel van Strijp-S en heeft zoals heel veel andere gebouwen in Eindhoven een geschiedenis die teruggaat op de glorietijd van Philips. Een flink deel van de hotelgasten zijn muzikanten en concertbezoekers. Een flink deel, maar zeker niet allemaal, zal hoteleigenaar Bart straks vertellen.

Sytse neemt me voor een kop koffie mee naar de prachtige bar. We raken aan de praat over muziek. Hij is inderdaad muzikant en heeft een voorliefde voor het stevigere genre. Na de koffie – een goed brouwsel trouwens – stappen we in de met rvs beplate lift naar de eerste (of tweede; mijn oriënteringsvermogen laat het afweten) verdieping. We stappen een helder verlichte gang met witte muren en een hele resem rode kamerdeuren in. In de muren zijn de oude bebutste betonnen kolommen van de bouwconstructie zichtbaar gelaten. Het originele streng-industriële karakter van het gebouw komt overal in het interieur terug. Mijn gids opent de deur naar een ‘gewone’ kamer.

Het eerst valt het kamerbrede stalen raam op. Buiten is het donker, het licht in de kamer is sfeervol gedempt. Bij het raam staat een grote bank, volgens Sytse gemakkelijk om te bouwen tot slaapbank. Aan beide zijden van het tweepersoonsbed staan houten kabelhaspels op hun kant, bedtafels met een verleden in de elektriciteitsbranche – een van de vele knipogen naar Philips. De sanitaire ruimte is aan de buitenzijde afgewerkt met houtschilferplaten. Gasten kunnen hun koffers leegruimen in de twee groene stalen lockers.

Sytse gaat me voor naar de suite, een hele ruime hoekkamer met een ligbad dat op een verhoging in de vloer is verwerkt. Ook deze kamer heeft een donker, ‘moody’ kleurenpalet. De gedrapeerde overgordijnen zijn van bordeaurood velours, de stalen ramen neigen naar zwart en de wanden zijn geschilderd in een roestbruine tint. De sfeer in de kamers doet me denken aan films als The Dark Knight Rises en The Addams Family. Gothic, deels, maar ook een plek voor excentriekelingen, excentriek in de volstrekt goede zin van het woord: geen doorsnee maar letterlijk buitengewoon. Het Blue Collar Hotel wil gasten van diverse pluimage herbergen. ‘Jack lives here’ staat op de zwarte deur van de kamer naast de suite. Het whiskymerk Jack Daniel’s drukte een stempel op het interieur van kamer 217. Leuk gedaan, maar het interieur in de andere kamers is door het moody karakter stukken spannender, meer een traktatie voor de fantasie.

Terug in bar beneden worden we begroet door Bart. Een grote man in een rood geruite houthakkersblouse en met een pork-pie hoedje op zijn hoofd van waaruit twee indringende ogen me schuins opnemen. Hij wist dat ik langs zou komen en nu hij me ziet, kijkt hij wat voor vlees hij in de kuip heeft. Hij heeft me gezien en loopt naar buiten door de wijkende schuifdeuren.

De bar is een lust voor het oog. Een veelkleurig, speels-creatief en behoorlijk eclectisch vormgegeven interieur, alles tot in de puntjes afgewerkt. Veelbetekenende aandachtstrekker is een fresco van Lemmy op de wand bij de eethoek. Lemmy Kilmister, tot aan zijn dood in 2015 de zanger en bassist van Motörhead, staat op iconische wijze symbool voor alles wat een rock’n’roll-leven behelst. Lemmy is een held, zeker in rockcity Eindhoven.

Op een kolom naast de entree hangt een schitterend Mariabeeld in de stijl van ‘día de los muertos’ (de Mexicaanse dag van de doden). Ik sta me eraan te vergapen en stap per ongeluk in het sensorische veld van de automatische schuifdeuren die daardoor open gaan. Bart spreekt me aan, een wolkje rook dwarrelt op uit zijn mondhoek. Ik loop naar buiten om er ook een op te steken.

Bart van der Dissel heeft zijn sporen in de horeca verdiend. In 2008 sloot hij zijn roemruchte bikerskroeg Thunder Roadhouse in het staartje van het Stratumseind. Trots vertelt hij over de altijd goeie sfeer daar. Een klandizie met veelal een ruige uitstraling en doorgaans een hart van goud. “Ging altijd goed.” Even later vertelt hij over de gasten van het hotel dat hij in 2014 begon: “Aan de ene tafel zitten zakenlui te overleggen en aan een andere hangen een stel skaters, terwijl zich aan de bar een paar bikers en een aantal drag queens ophouden. En nooit problemen.” Hij geniet zichtbaar van de diversiteit van zijn gasten. Zijn ideaal lijkt te zijn dat iedereen met iedereen overweg moet kunnen, ongeacht iemands uiterlijk.

Ik complimenteer hem met het interieur en vraag hem wie het ontworpen heeft. “Mijn vrouw en ik bedenken alles,” antwoordt hij resoluut. “We combineren industrieel met kitsch.” Als ik hierop zeg dat ik geen enkel hotel met zo’n zinnenprikkelend interieur ken, reageert hij al even resoluut: “De meeste hotelbars hebben de uitstraling van een crematorium. Met zo’n kerel in een polyester pak achter de balie.” Hij verafschuwt kille interieurs, zijn ideaal is geworteld in een doorleefd begrip van de herberg. Een herberg biedt alles wat gasten zich wensen: een slaapplek, entertainment en goed eten en drinken in een verrassende omgeving tussen fijn volk.

“High service, blue collar prices,” scandeert hij met schorre stem. Dit brengt het gesprek op de betekenis van de hotelnaam. De ‘blue collar’ verwijst naar de blauwe kraag van een overall of ander kledingstuk van de arbeider. Bart heeft een zwak voor de mens die zijn brood met de handen verdient, en daar rekent hij ook verplegers toe: “en mensen die de hele dag achter het beeldscherm zitten te tikken.” Sytse, die trouwens niet rookt, maar wel mee naar buiten liep, knikt instemmend. Opvallend hoe ongedwongen Bart met Sytse en andere medewerkers omgaat.

Bart loopt terug naar binnen om voor mij een ‘boekje’ uit zijn kantoor te pakken. Aan de bar maak ik gauw nog wat aantekeningen. Het boekje blijkt een fraai vormgegeven bedrijfsfolder. “High standards in hospitality with a rock and roll mentality” staat in dikke letters bovenaan pagina 5. Strak geformuleerd, vind ik. Ik steek het boekje in mijn aantekeningenschrift, neem afscheid van Sytse en zwaai naar Bart, die alweer bij de keuken achter de bar staat. “Kom nog eens terug voor een biertje!” roept hij. Natuurlijk doe ik dat.

terug

blue

collar

high

service

Inspiratie voor je interieur Horeca interieur horeca inrichting Duurzaam interieur Beleving in de horeca Circulaire interieurs Hotel interieur Industrieel interieur industriële inrichting terug