De Heilige Driehoek in Oosterhout: lunchen in een stal

- 01 August 2021 door Edwin Timmers -

In Oosterhout is een plek waar op loopafstand drie kloosters bij elkaar staan. Deze plek kreeg ruim een eeuw geleden de naam De Heilige Driehoek. Tot en met 15 augustus is er een kunsttentoonstelling. Een dikke tip voor liefhebbers van hedendaagse kunst. Maar zeker ook een tip voor wie van landschappelijke tuinen en sobere interieurs van functionele snit houdt.

Goedgemutst hobbel ik over een kasseienweg naar de parkeerplaats in een grazige wij. Vrolijke vrijwilligers wijzen me vervolgens de ingang, een ruime opening in een muur van volwassen groen. Ik loop het terrein op en mijn mond valt zowat open: zo mooi is het hier. Bij de kassa krijg ik als bewijs van toegang een biologisch afbreekbaar festivalbandje waarin zaden zijn verwerkt. Als ik dit bandje thuis in de grond stop, heb ik volgend jaar nog meer bloemen in de tuin. Ik kijk naar rechts en richt mijn blik omhoog. Hoog in de bomen hangt het oranje vliegtuig van kunstenaar Joost Conijn. Hij bouwde het toestel zelf en kwam ermee van de grond. Links staat een aandoenlijk kunstwerk van  Leendert van Accoleyen. Hij trok met mensenkracht een omgevallen boom overeind en zette die daarna op twee wielen teneinde de boom na zijn val meer te geven dan die zelf ooit had durven hopen, namelijk de mogelijkheid om van plaats te veranderen.

In de tentoonstellingsgids zit een plattegrond waarop de plaats van de ongeveer dertig kunstwerken is aangegeven. Ik schat zo’n drie uur nodig te hebben om alles te belopen en rustig te bekijken. Eerst maar eens een bak (zie voetnoot) koffie doen dan, met taart, mochten ze die hebben. Op de plattegrond staat eveneens de horeca aangegeven. Ik kan kiezen uit drie gelegenheden en kies de dichtstbijzijnde, de Kloosterhoeve, feitelijk een stal die nog als zodanig in gebruik is – op een silovoet staat een aangebroken zak kalverbrokken. Het interieur van de stal is voor de gelegenheid aangepakt door een bedrijf dat zich daarin heeft bekwaamd. Links en rechts van de enorme staldeuropening plaatsten ze een achterband van een tractor tegen de muur. Binnen bouwden ze een bar in een nis. Koffie, taart (jawel) en lunches worden uitgeserveerd op tegen elkaar aangeschoven tafels. De achterwand is een donker gebeitste oude buffetkast met glas in de deurtjes. Het geheel is verfraaid met bewaarblikken uit vervlogen tijden en andere objecten die het (boeren)leven van toen lijken te willen romantiseren. Boven de tafels hangt een joekel van een ballon. Een bont kunstwerk van Meschac Gaba met een doorsnee van ruim vier meter. De rechtermuur is beplakt met honderden felgekleurde kartonnen tetraeders en kreeg de naam Wall of Hope.

Na de koffie en een stuk appeltaart geniet ik van het metselwerk in de kerk van de Sint Paulusabdij een paar honderd meter verderop. De kerk kwam gereed in 1955, ruim veertig jaar na de abdij. De abdij wordt geroemd om zijn baksteenarchitectuur, de kerk niet. Ik sta hier dus te genieten van iets wat niet geroemd wordt. In de kerk staan en hangen meerdere kunstwerken, stuk voor stuk erg mooi. Het diepst raakt me een nieuw werk van Berlinde de Bruyckere. Het staat hier helemaal op zijn plek. Mijn adem stokt, heel even.

Via een schitterende lindelaan kom ik bij het klooster dat Sint Catherinadal heet. Dit is een plek die niet zomaar even te bevatten is. Neem er de tijd voor, laat het op je inwerken. Ooit leefde hier een flinke groep rooms-katholieke zusters in strikte afzondering van de buitenwereld. Toch heeft dit klooster slechts in historische zin het gesloten karakter dat kloosters doorgaans hebben; het heeft het niet in de wijze waarop het zich als architectonische verschijning aan de buitenwereld presenteert. Dit gebouw wil gezien worden, het lijkt uren voor de spiegel gestaan te hebben alvorens het zich aan het publiek toonde. Naturel, zonder overdadige pracht en praal, hoewel nu dus met flink wat fraaie kunstwerken in verscheidende vertrekken en in de tuin.

In de ontvangstkamer hangt een werk van Guido Geelen. Een mooi werk, zeker, maar wat me het meest raakt, is de ruimte zelf, de soberheid ervan, de functionaliteit van het meubilair, van het interieur in zijn geheel. Functie en vormgeving vallen hier samen. De stoelen die je hier ziet staan, zijn de stoelen die je je voorstelt als je aan een stoel denkt. Voor de tafels geldt hetzelfde en in zekere zin geldt het ook voor het plafond en de vloer. Ik stel me willekeurige mensen voor die hier zitten en wachten, op een stoel met de onderarmen gekruist op de tafel voor hen. Er is geen afleiding, behalve dan wat hun innerlijk hen te bieden heeft. Fantaseer een paar flessen bier op tafel en zie hoe weinig een kroeg nodig heeft: stoelen, tafels, flessen bier en wat mensen. Elke uitbater, zowel de startende als de ervaren, zou baat hebben bij een retraite van enkele uren in deze ruimte. Hier kun je de schoonheid van het absolute minimum van het horeca-vak ervaren. Een paar vertrekken verderop hangt het werk Catherine’s Room van videokunstenaar Bill Viola. Wat ik net probeerde te vertellen, zegt dit kunstwerk zonder woorden beter.

Buiten hang ik een peuk op mijn lip en ga op een houten hekje wat voor me uit zitten staren. “Overdenkt u uw zonden?” vraagt een man met een prettig ironisch glimlachje rond zijn mond. Ik had hem niet zien naderen. “Mijn zonden overdenken?” reageer ik. “Dat zijn er teveel. Daarvoor heb ik de denkkracht niet.” Hij lacht en we raken aan de praat over deze prachtige plek. Behendig neemt hij me mee in de bijzondere geschiedenis ervan. Ik smul. Hij praat ongedwongen, zoals meer mensen hier doen. Spreek gerust een van de 175 vrijwilligers aan. Net voordat ik het terrein verlaat heb ik het met een van hen over een broos boompje waarvan de witte bloesem een lelie-achtige geur verspreidt. We weten allebei de naam van het boompje niet. We praten, maar hebben het woord niet.

De laatste tijd ervaar ik een hoop zurigheid in de maatschappij zoals die via tv, radio en ander media aan mij gepresenteerd wordt. Een niet aflatende stroom chagrijnig stemmende bagger wordt er over ons uit gestort. Tenminste, zo ervaar ik het. Het bezoek aan deze tentoonstelling op deze plek in Oosterhout spoelde die bagger uit mijn binnenste. Hier ervoer ik dat het mooie leven nog bestaat.

VOETNOOT: Ik zeg ‘bak’ koffie omdat dat relaxter overkomt dan het braafhollandse ‘kop’ koffie. Mijn vader zei altijd ‘tas’ koffie. Uit ervaring weet ik dat beelddenkers een ‘tas’ koffie raar vinden. Ik vind het raar dat zij een ‘kop’ koffie niet raar vinden. Vikingen dronken uit ge-upgrade mensenschedels, letterlijk een kale kop. Vorige week sprak ik een jonge Vlaams-Belgische vrouw. Een ‘kop’ koffie zei haar niks. In haar streek drinkt men koffie uit een tas. In Frankrijk drinkt men uit een ‘tasse’ (uitgesproken als tas) als men uit een kopje drinkt, en in Duitsland drinkt men uit een Tasse.

 

terug

een

kop of

tas

koffie?

Inspiratie voor je interieur Duurzaam interieur Beleving in de horeca Inspiratie voor ondernemers Verhalen uit de horeca Circulaire interieurs Gastvrijheid terug