Opening horeca terrassen den Bosch: Loeien op het terras

- 28 April 2021 door Edwin Timmers -

“Ik voel 'm al goed zitten,” zegt een jongeman tegen zijn maat ter hoogte van de Sint Janskathedraal in Den Bosch. Waarschijnlijk hebben ze een paar uur bier zitten kiepen op een van de terrassen aan de Parade. Het is woensdag 28 april 2021, een memorabele dag voor horecazaken met een terras.

Thuis stapte ik op de fiets met de zon en de wind op mijn kop. In Den Bosch rest alleen nog de wind. Het is er net niet koud. Uit nieuwsgierigheid trap ik een rondje door de stad. Zelden zag ik zoveel terrasleven op een doodgewone woensdagmiddag.

Het terras aan het water bij het Zuiderpark zit vol. De kleine terrassen aan de Hinthammerstraat idem dito. Bij de Parade schrik ik. Het plein is griezelig kaal, alle kastanjebomen zijn weg – ze bleken ziek te zijn. Toch zitten ook hier alle terrassen vol. Hetzelfde geldt voor die in de Korte Putstraat. Vorig jaar was er een zomerterras aan het zogenaamde Heetmanplein aan het einde van de Vughterstraat. Dit terras is er nu niet. Het plein heeft een make-over gehad en is nu gewoon een bewandelbare openbare ruimte. Best jammer, want het was een markante plek met een kameleontisch karakter. Alle plaatsen op de terrassen bij café restaurant Buurt iets verderop zijn, zoals viel te verwachten, bezet.

Druk is het ook op het majestueuze terras van de Verkadefabriek. Het is wennen, die drukte, maar tegelijk voelt het vertrouwd, alsof het nooit anders is geweest. Ik fiets door naar de Tramkade vanwege rauwe uiterlijk, het onaffe. Bij restaurant Van Aken is weinig te doen. Een jongeman schept kruiwagens vol met scherp zand. Hij voorziet het terras van een strandlook. Bijzonder dat daarmee niet een dag eerder is begonnen. Bij de Bossche Brouwers achterin is leven zat. Het terras van dit muziekcafé is provisorisch afgezet met van alles. Hier moest ik maar eens een pintje pakken.

Bij de hekdoorgang zit een jonge vrouw met mondkapje de intekenlijst te beheren. Ik schrijf mijn naam en telefoonnummer. Verrek, ik heb geen mondkapje bij (zit in mijn jas en die ligt thuis). “Geen probleem hoor,” zegt de jonge vrouw. “Als je maar niet de hele tijd gaat rondlopen.” Ik verzeker haar dat dat niet mijn bedoeling is.

Als koeien na de winter weer de wei in mogen, zijn ze uitbundig. Ze maken bokkensprongen van plezier. Bokkensprongen worden hier niet gemaakt – iedereen zit keurig per twee aan een tafeltje met voldoende onderlinge afstand. Wel zijn de gasten uitbundig als runderen. De sfeer is uitgelaten, de sfeer is goed. Kom daar maar eens om op een gemiddelde woensdagmiddag.

Het terras van de Bossche Brouwers is boeiend. Veel roestige eye-candy. Een bijeengeraapte eenheid van dissonante elementen. Grof industrieel en toch stukken gezelliger dan de doorsnee huiskamer, waarin het persoonlijke vaak op rigide wijze is doorgezet (met sluitposten die het geheel vanwege een hoge kitschfactor dreigen dood te slaan). Mijn stoeltje staat op grindige asfalt.

Zes vrouwen hebben hun benen en onderbuik in een grijs fleece-deken gewikkeld. Zo wapenen ze zich tegen de koelte. Een gloeiende vuurkorf zou lekker zijn. Toch deert het kille weer de vrouwen niet. Ze vermaken zich opperbest en dat lijkt hen te verrassen, alsof ze zich met tussenpozen diep beseffen dat vermaak zo tering simpel was. Twee vrouwen happen zich gedistingeerd door een berg bitterballen. Het kan ze niks schelen.

Naast me zitten twee mannen aan een tafeltje. Ze praten steeds luider omdat hun gesprek zich heeft uitgebreid naar twee mannen aan een tafeltje naast het hunne. Ze respecteren de afstandsregel. Om toch een gesprek te kunnen voeren, praten ze gewoon een flink stuk harder. Ja, er wordt hard gepraat hier. Het gespreksvolume suggereert tachtig gasten, terwijl er slechts veertig zijn. Dit betekent niet dat ik de gesprekken kan volgen. Er wordt namelijk weinig zinnigs gezegd, veel oneliners voor insiders en andere gevatte kolder. Feitelijk zijn het keelgeluiden om hun blijdschap te uiten. Een soort loeien. Uit de zaak loopt een man in een stoffig kloffie naar buiten. Hij wendt zich tot de vier mannen met een luid en duidelijk ‘de beste wensen!’ Het viertal reageert geamuseerd met ‘de beste wensen’. Zo begroet een kroegbaas zijn gasten die hij al maanden lang – te lang – niet heeft gezien.

Goeie muziek hier. Het eerste liedje dat ik hoorde, was een donkere ballad van Daniel Johnston, genie van de piepkleine popsong. Wie hoort de muziek? Achterin jengelt een baby. Een relatief jong stel hannest met het onwillige kind. Papa en mama wilden er weer eens uit. Met een baby haalt dat niks uit. Maar dat willen ze nog niet weten. Groot gelijk, eerst proberen.

Een man gaat zitten. “Proost,” zegt hij. “Het kan weer.” Zijn hondje kijkt mat uit zijn ogen, een beetje droevig. Wandelen vindt het leuker. Het kakken in de buitenlucht was de jeu in het lockdownleven van zijn baasje. Nu moet ‘ie weer mee op terras.

De glazen worden nog eens gevuld. Binnenkort weer binnen. Ik heb een melodietje in mijn hoofd, een onbekende deun. Het zal een nieuw liedje zijn. Gauw naar huis om het op te nemen. Tussen het schroot op de Tramkade schieten iele boompjes omhoog. Knalgroen loof aan de frêle takjes.

terug

de

aller

beste

wensen

Beleving in de horeca Inspiratie voor ondernemers Verhalen uit de horeca Gastvrijheid terug