Stroomhuis in Eindhoven: het interieur als derde persoon

- 24 October 2021 door Edwin Timmers -

Het Stroomhuis in Eindhoven, door velen die er ooit binnengingen liefkozend het Stroomhuisje genoemd. Een plek vertroeteld met een koosnaam. Er zijn bands en er is publiek. En er is de ruimte, de zaal, die minzaam toekijkt en ziet dat het goed is – het interieur als derde persoon. Ik ga er naartoe voor Charlie & the Lesbians die deze avond hun nieuwe plaat zullen presenteren en krijg er op de koop (gratis entree) twee mooie bands bij.

Eindhoven is een gespierde stad. Dat bedenk ik als ik een vergelijking trek met andere steden waar ik geregeld kom. Een kranig cultureel lichaam dat zich soms wat overschreeuwt. Zou ik in Eindhoven willen wonen? Ik denk dat wonen en willen niet per se iets met elkaar van doen hebben. Je strijkt ergens neer of blijft ergens hangen. Doorslaggevend voor mij zouden de mensen zijn. Alle mensen hebben een gebruiksaanwijzing. Als je bereid bent die gebruiksaanwijzingen te lezen, kun je overal aarden. Charlie & the Lesbians hebben een gebruiksaanwijzing, hun muziek, die genadeloos lomp en bonkig is, een weldadig bad van luidruchtige stampij. Fijne mensen in de omgang bovendien.

Mijn auto krijgt een plekje in parkeergarage ’t Eindje. Tegen een liftschacht slaapt een dakloze. Een vrouw in zwarte sportkleding praat hardop voor zich uit. Haar mobieltje is verbonden met draadloze pods in haar oren. Hardop praten in de openbare ruimte werd ooit gezien als symptoom van een psychose of als uiting van politieke onvrede door een eenling. Nu is het een privéaangelegenheid waarvan iedereen kan meegenieten. Ik stoor me er niet aan omdat er af en toe mooie zinnen voorbij komen. Dit keer niet. Het Stroomhuis ligt op een paar honderd meter lopen van mijn parkeerplek.

Een gemeen trapje leidt naar de entree. Bij de deur staan drie goedgeluimde mannen QR-codes te checken. Ik ben de eerste met een printje en die willen wel eens weigerachtig zijn volgens een van de drie. Het groene vinkje verschijnt en ik krijg een stempel op mijn hand zodat ik later op de avond na een sigaret weer terug naar binnen kan.
De zaal is groter geworden en tegenover het podium, dat naar de andere kant is verhuisd, staat een flinke houten tribune. Naast de tribune is de bar. De tap heeft kuren; schuimkragen worden vijf vingers dik nadat het glas de tapkraan verlaat. De barvrouw kijkt me verontschuldigend aan terwijl ze mijn glas vanuit een ander glas bijvult totdat de schuimkraag perfect is. Ik drink uit gewoonte en voor de roes; een schuimkraag is bijzaak.

Het Stroomhuis is hoog en kaal, in de muren zitten grote vensters met ramen opgetrokken uit glazen bouwstenen. Een welhaast onverwoestbare constructie vergelijkbaar met de gepantserde ramen in oude sporthallen. Enkele grote schilderingen van skeletachtige demonen sieren de witte wanden. Dit is zo’n beetje het interieur, hier gaat het gebeuren. Ik neem plaats op de tribune en de eerste band begint. Baby’s Berzerk speelt elektronische pop. De frontvrouw draagt een grappig jurkje met decimeters lange kraagpunten. Het is acht uur, er is nog niet heel veel publiek en toch mag de band genieten van een enthousiast onthaal. Een publiek dat bereid is om te juichen en te klappen maakt me blij. Ik juich mee.
“Ik moet pissen.”
“Okay…”

Zomaar een gesprekje dat ik opving in de pauze waarin de zaal rap volstroomt voor de volgende band: Sophie Straat, een jonge vertolker van het levenslied op Amsterdamse leest geschoeid. Het blije enthousiasme van de band is een traktatie voor het gemoed. Frontvrouw Sophie is scherp van tong en helemaal thuis op het podium. De bassist is vleesgeworden empathie. Het publiek gaat uit zijn dak; de zaal, het interieur, ziet dat het goed is. Een basic ballad voorbij het midden van hun set eindigt met een gelikte gitaarsolo glanzend van de kitsch. Geheel in lijn hiermee is de afsluiter Ik Meen Het van Andre Hazes, een ijzersterk liedje, waarvoor Hazes overigens alleen de tekst schreef.

In een interview met het Eindhovens Dagblad noemt André Amaro, oprichter van het Stroomhuis, zijn geesteskind een speelplaats. De journalist noemt de plek een broedplaats. Mooi om even stil te staan bij het verschil tussen broedplaats en speelplaats, het verschil tussen broeden en spelen. Broeden is geestesarbeid, je doet het alleen. Spelen is een activiteit die het broeden voedt, je doet het meestal niet alleen. Wat is er mooier dan een speelplaats? Een speeltuin. Het Stroomhuis is een overdekte speeltuin, niet bijster groen, wel een plek voor onbevangen lui.

Pauze. Ik wil buiten gaan roken. Een van de mannen bij de entree wijst me op de lange rij wachtenden voor de deur. De zaal is vol. Als ik nu ga roken, is de kans groot dat ik niet meer naar binnen kan. Hij kijkt veelbetekenend naar een groepje rokers achter hem, alsof hij zeggen wil: steek er binnen maar een op. Ondertussen heeft de pinautomaat van de bar het begeven. Voor zolang het duurt accepteren ze louter cash. Het bier komt nog steeds met een overmaat aan schuim uit de tapkraan. Maar niemand mort, niemand klaagt. De sfeer is ontwapenend goed en daar klinken de gitaren van Charlie & the Lesbians. In een mum van tijd is het publiek een kolkende massa. Even later zweeft de bassist van Sophie Straat door de lucht, liggend op tientallen handen.

Charlie bekommert zich niet om toonhoogte, dat is iets van vroeger. Hij loeit en de drummer volgt zijn voorbeeld op haar eigen bezielde wijze. Gedeelde zielenpijn drijvend op het stoempende geweld van een volgepakte goederentrein. Twee jonge vrouwen, klein van stuk, haasten zich naar de bar. Snel een biertje halen om even snel weer in de warme moshpit terug te keren. Een van de twee gaat in afwachting van het glas bier dat haar vriendin halen is naast me staan. Ze doet de shimmy. Haar vuisten draaien op grote snelheid om elkaar heen, terwijl haar schouders ritmisch krullen op de stevige drumbeat. Haar rusteloze benen volgen een andere baan om het onzichtbare, doch gloeiende centrum van haar wezen. Ze is een zonnestelsel.

Ik kijk me suf. Overal zie ik plezier, overal zie ik individuen over wie ik graag zou willen vertellen. Samen golven ze als de ademende buik van een grote beer op het compacte beuken van de band. Ik kijk naar het plafond en vraag me af waarom ik dat doe. Zou ik om instemming vragen van de derde persoon, diens knipoog? Daar is de knipoog. Als kind sta ik tussen kinderen en dit is onze speeltuin.

Fotocredits Ruud Hermans

terug

dit

is

onze

speeltuin

horeca inrichting Duurzaam interieur Hergebruik Beleving in de horeca Out of the box denken Verhalen uit de horeca Industrieel interieur industriële inrichting Gastvrijheid terug