Oranje Koffiehuis: het oudste café van Arnhem

- 04 July 2021 door Edwin Timmers -

“Vindt u het bezwaarlijk als ik aanhaak op uw gesprek?” vroeg een tweeëntwintigjarige jongeman op een terras in Nijmegen. In zijn mondhoek hing een duimdikke sigaar en voor hem op tafel stonden een glas bier en een jonge klare. Ons gesprek ging over een boek. De jongeman wilde graag een punt nuanceren van hetgeen we bespraken. Al snel bleek zijn liefde voor geschiedenis. Later leerden we dat hij overdag als installatietechnicus werkt en in de avond, of met zijn neus in de boeken zit, of bardiensten draait bij Oranje Koffiehuis, het oudste café van Arnhem. Door zijn verhalen nieuwsgierig geworden fiets ik een week later samen met mijn vriendin vanuit Driel naar de binnenstad van Arnhem.

Vanuit het zuiden, over de Nelson Mandelabrug rijden we Arnhem in. Allereerst trekt de enorme toren van de Eusebiuskerk de aandacht. Daarna valt mijn oog op de Rijnkade, een drukke horecastraat op de hoge kade aan de Nederrijn. Vanaf deze kade kijk je naar de bijzonder groene zuidoever. Er liggen een paar groepjes mensen op het strandje daar. Koelboxen, volgepakte boodschappentassen, fleurige zwemkleding en parasols. Verderop staat een grote hijskraan uit een andere tijd. Na wat internetten weet ik dat het een oude scheepswerfkraan is, geplaatst in 2020 op de plek waar de Arnhemse Scheepsbouw Maatschappij zat, ooit de grootste werkgever van de stad. Industrieel erfgoed te midden van een groene ruigte. Hier wil ik nog eens naartoe.

Veel kleine winkeltjes in het oude centrum van Arnhem. Het Oranje Koffiehuis zit in de smalle Arke Noachstraat. Het is tegen tweeën, het terras zit vol met mensen van boven de vijftig, de doelgroep van dit café. Binnen zit niemand. Achter de bar tapt de opgetogen barman een vaasje bier. Op het Brabantse platteland heet zo’n glas een Amsterdammertje, maar hier, net als in Utrecht, zeg je dat niet. “Doe mij ook maar een vaasje dan,” zeg ik. Mijn vriendin wil een koffie. We gaan zitten bij het raam. De gezelligheid van het terras is hier goed te horen.

De barman heet Rob, sommigen noemen hem Robbie. Hij is de zeventig gepasseerd, maar zijn ogen staan jonger dan die van menig twintiger. Een vrouw van zijn leeftijd komt naast hem staan. Ze vindt de muziek niks, maar kan niks anders vinden. Rob vermoed dat de afspeellijsten weer zijn veranderd. Hij neemt twee vaasjes in de hand, kust de vrouw, die aanstalten maakt om te vertrekken, en loopt naar buiten.

Het interieur van Oranje Koffiehuis wordt geduid als Art Deco, een stijl in de kunsten en architectuur die opgang maakte in de jaren twintig van de vorige eeuw. Mij ligt deze stijl wat zwaar op de maag, hier vanwege het plompe tegelwerk en de afstandelijke diepdonkere kleuren. Het mooist vind ik het houtwerk bij het trapportaal links van de bar. Hout leeft, ook als het dood is. De bar mag er natuurlijk ook zijn. Zo’n honderd jaar oud reeds en daarmee het bewijs dat het concept ‘bar’ in al die jaren weinig veranderd is. Feitelijk is het een verkoopbalie waaraan gasten kunnen zitten en waar tegen de wand erachter de verkoopwaar in een kast is uitgestald. Ook fraai is de pui van de voorgevel. De naam van het café is in tegels boven glas-in-loodramen op de voorgevel gezet.

“Et voila, un café pour madame,” zegt Rob als hij de koffie voor mijn vriendin uitserveert. “Merci monsieur,” antwoordt ze. “Ah!” zegt Rob, “u bent francofiel?” Mijn vriendin schudt geamuseerd haar hoofd. “Nee hoor, dit is zowat al mijn Frans.” Hij gaat naast me zitten op de bank tegen het raam en zegt blij te zijn dat het café weer draaien mag. “Wat een angst kan er gecreëerd worden," zegt hij over de maatregelen die het virus de kop in moesten drukken. Een man steekt zijn guitige hoofd om de deurstijl. “Kun je nog wat brengen voor de linkervleugel?” vraagt hij. Rob maakt aanstalten, maar vertelt eerst nog dat hier iedereen elkaar kent en dat er vaak livemuziek is in zijn kleine café. “Zelfs vierkoppige bands. De drummer zit dan in die nis daar.” Het podium is tien centimeter hoog.

Terwijl Rob de bestelling voor de linkervleugel van het terras tapt, komt een kleine, gedrongen man de kroeg inlopen. “Ik loop even een rondje,” meldt hij, “maar kom daarna weer terug. Dus je hoeft niet te denken dat ik ‘m zonder te betalen smeer.”

Even later vertrekken wij ook. Mijn vriendin loopt gelijk de aanliggende Hartleys English Shop binnen. Waarom, dat weet ik niet. Ik loop braaf mee en kijk wat om me heen. De man achter de toonbank merkt me op en wijst naar de speaker boven hem. “Een walsje van André Rieu,” verduidelijkt hij. “Ga je automatisch op meebewegen.” Hij doet het voor. Ik vertel hem dat ik wel ooit heb leren walsen, maar dat ik het waarschijnlijk verleerd ben. “Nee hoor,” zegt hij, “dat verleer je niet. Het is net als fietsen.” Ik zeg hem dat hij daar waarschijnlijk gelijk in heeft, maar dat ik wel weer even zou moeten oefenen. “Ach,” reageert hij en knikt naar mijn vriendin. “Als je haar al hebt, hoeft het niet meer. Bovendien zul je liever aan tafel zitten met een glas bier voor je neus.”

Weer op straat zegt mijn vriendin dat ze de mensen in Arnhem opvallend vriendelijk vindt. Iedereen maakt een praatje, in iedereen lijkt levenslust te borrelen. Ik beweer dat dat alles met het einde van de lockdown heeft te maken. Tegelijk vind ik die verklaring te rationeel. Thuis lees ik in een webartikel dat Rob een wekelijks radioprogramma op RTV Arnhem heeft gepresenteerd. Het programma heette Stamgasten! “Ik bereid niet veel voor,” bekent hij in het artikel. “Alles gaat lekker spontaan.” Misschien is Arnhem inderdaad een stad met vriendelijke en spontane mensen.

terug

un

café

por

madamme

Horeca interieur horeca inrichting Inspiratie voor ondernemers Verhalen uit de horeca Verhalen aan de bar Café interieur Bruin café Gastvrijheid terug