Interieurs hoppen & gastvrijheid shoppen

- 25 August 2021 door Edwin Timmers -

Mijn oude vlam leek in de fik te staan. Ze had een piepklein, doch ultra-venijnig groen pepertje over het hoofd gezien. Hoe blus je zoiets? Niet dus, gewoon met je ogen draaien en proberen het hoofd koel te houden. Een stief kwartiertje later ben je weer de oude en een sterk verhaal rijker.

Barkade is een karaokebar, speelhal en restaurant ineen en zit aan de Tramkade in Den Bosch. Ze serveren Aziatisch geïnspireerd comfort-food (wat beter klinkt dan fast-food en stukken spannender smaakt). Voorin kun je eten en achterin kun je los op flipperkasten en ander retro-vertier. Helemaal achterin zitten een drietal karaoke-boxen. In een van die boxen staan vijf streetwise kijkende en prachtig uitgedoste jonge vrouwen geconcentreerd mee te zingen op liedjes die ik niet ken.

Het interieur knipoogt flink naar het aloude jeugdhonk. Een zwarte vloer, hoekige dessins in pasteltinten aan het plafond boven de al even hoekige en ongekend robuuste bar. Als tl-buizen vermomde ledstrips hangen in schuine hoeken in de ruimte. Schuine hoeken en een geometrische vormentaal is een erfenis uit de eighties. Het is dag, het licht dat door de ramen komt mengt zich met het kunstlicht van binnen tot een moody en tegelijk zakelijke sfeer die ik wel eens in films zie.

Aziatische tapas, zo mag je het eten hier ook noemen. Gerechtjes bestel je via een QR-code en dat werkt prima. De jonge bediening serveert ze op prettige wijze uit: vlot, niet te formeel en met gretig jeugdige oogopslag. We zitten aan het tafeltje naast de open keuken. Een breedgeschouderde kok flambeert een vleesgerecht. De vlammen schieten de afzuiging in. Zijn cool bewarend grijpt de kok in. Hij neemt de pan van het vuur, knipoogt relaxt naar zijn collega, spant de spieren in zijn bovenlijf en laat de inhoud van de zware pan koprollen in de lucht maken. De ogen van mijn vriendin tollen ondertussen in hun kassen – het pepertje doet zijn werk. Schor draagt ze me op om hulp bij de bediening te vragen, wat ik dan ook doe. Een jonge serveerster wil uit welgemeend medelijden haar arm om de schouders van mijn vriendin leggen. Een lief gebaar en meer dan dat kan ze waarschijnlijk toch niet doen. Maar lichamelijk contact in de horeca mag niet van de hoge heren. Dus daar hangt de liefvolle arm op enkele centimeters boven de opgetrokken schouders van mijn van binnen brandende vriendin. Een stief kwartiertje later is ze weer de oude – en een sterk verhaal rijker. Barkade is een mooie zaak. Bekijk zeker ook de bedrijfsnaam in neon boven de entree. Roodgloeiende letters op een raamwerk van witte latten. Prachtig.

Mijn vakantie lijkt op tapas, een tapas van uitjes. Elke dag een naar andere plek, telkens een ander hapje. In Friesland slapen we in een vier eeuwen oud huisje op een terp. We arriveren bij windkracht acht of hoger. Het zou beter zijn om niet meer uit te gaan, maar Tribe heeft in de loop der jaren mijn honger om interieurs te zien en ervaren vergroot. We rijden naar It Posthus in Burdaard. Een hele gewone zaak, een soort Van der Valk oude stempel (Van der Toekan volgens een vriend) met een behoorlijk verknipt interieur. Ooit was It Posthus een bruine kroeg (sporen daarvan zijn nog aanwezig); nu is het een postmodern allegaartje. De raamkozijnen zijn geel bijvoorbeeld. De koddig onervaren jongeman van de bediening kan slechts een paar Friese woorden op de menukaart voor me vertalen. Het prachtige woord tsiis (kaas, uitgesproken als het Engelse cheese) krijg ik zelf vertaald. Ik bestel iets met tsiis. Het eten voor de zes mensen aan de ronde tafel naast de onze wordt uitgeserveerd. Voordat ze hun bestek opnemen, vouwen ze hun handen en bidden ze in stilte. Lang niet gezien. Een man aan een andere tafel bestelt een droge witte wijn met de toevoeging dat het geen Chardonnay mag zijn. De jongeman van de bediening zegt dat ze een wijn hebben die “een beetje overal tussenin zit”. Er verschijnt een spottend glimlachje op het gezicht van de dorstige man. “Doe mij die maar dan,” zegt hij.

De dagen erna bezoeken we menig eetcafé. In Koudum eten we friet in Cafetaria De King. Ik vermeld deze zaak hier vanwege de naam. De combinatie van ‘De’ en ‘King’ vind ik een hele mooie. In Dokkum eten we in Stadscafé Restaurant Artisante, een zaak met een bijzonder fraai interieur. Artisante zit in een oud pand en staat op een plek met veel opgepoetste historie. De inrichting borduurt verder op de geschiedenis. Dikke balken en planken tegen het plafond, enkele bakstenen muren (‘vuil’ metselwerk heet dat, geloof ik), houten trapjes die de verschillende niveaus in de zaak bereikbaar maken, warmkleurige verlichting en tegelvloeren in geometrische retro-dessins die hier goed passen. Het geheel is bijna overgestileerd, maar dat is geen probleem voor een zaak die hoofdzakelijk daggasten ontvangt. Stamgasten hijsen liever hun zoveelste glas (het eeuwige laatste) in ongegeneerd gebutste kroegen te midden van dito zielen. Zo’n kroeg lopen we een paar dagen later binnen in het hyper-toeristische Hindeloopen. Maar eerst nog naar Leeuwarden, in alles de hoofdstad van Friesland. Nee, wacht, nog even terug naar Dokkum en pak er gelijk even een landkaart bij. Ooit lag dit stadje aan zee. Via een zee-arm vanuit de Lauwerszee (nu Lauwersmeer) stond Dokkum in verbinding met de Noordzee. Het water bij Dokkum bewoog mee met de getijden. Schepen konden vanuit de stad de zee op varen. Dat wist ik niet. Ik las erover en opeens ervoer ik Friesland anders. De rijke geschiedenis denderde bij mij als een stormvloed naar binnen. Soms gebeurt dat. Ik nam ervan zoveel ik op kon. In het Fries Museum in Leeuwarden vreet ik me dieper de historie in. Wat een genot. De wandeling door deze verrassend mooie provinciestad wordt er stukken rijker van. Ik moet hier spoedig nog eens naartoe. In restaurant Bowls ’n Rolls aan de Groentemarkt komen we weer op krachten. Frisse tent met opgewekte bediening. Mag ik hun kaart Aziatisch streetfood noemen? De jonge vrouw die onze bestelling opneemt is sympathiek tot op het bot. Het interieur ligt in lijn met andere poke-bowlzaken; licht, open, geen overdaad en hier en daar wat groen. Bamboe en rotan mag weer.

In het Fries Museum staat een Hindelooper kamer. Dergelijke kamers werden in de negentiende eeuw gebouwd als rondtrekkende tentoonstellingen. De pracht en praal en rijkdom van eeuwen her werd ermee verbeeld. Hindeloopen is weliswaar een piepklein stadje – er wonen op dit moment nog geen 900 mensen – maar in de zeventiende eeuw bulkten vele inwoners van het geld en lieten het dan ook breed hangen. Het gevolg was een unieke luxe-cultuur. Huizen hadden schitterende interieurs en klederdracht was opmerkelijk eclectischer dan andere. Hun decoratievakwerk verried invloeden uit India en andere verre oorden. Ik ken Hindeloopen uit mijn jeugd, van horen noemen. Ooms en tantes bezochten Volendam, Urk en, jawel, Hindeloopen. Ik kom er nu pas voor het eerst en mijn vriendin ook. We lopen wat rond. Ook dit stadje lag ooit aan een zee. Maar de Zuiderzee werd IJsselmeer in 1932 bij het gereedkomen van de Afsluitdijk. We passeren café De Boekanier aan de haven, een kroeg zo bruin als een beer, vol met foto’s en prullaria. Snel zetten we onszelf aan een pint, de laatste helaas, echt de laatste, want we moeten zo terug naar Brabant.   

terug

het mag

geen

chardonnay

zijn

Inspiratie voor je interieur Horeca interieur Beleving in de horeca Inspiratie voor ondernemers Verhalen uit de horeca Verhalen aan de bar Café interieur Bruin café Restaurant interieur Gastvrijheid terug