Kroketten

- 28 February 2019 door Edwin Timmers -

Om te gaan wandelen stapt men kennelijk in de auto. Het laatste plekje op de ruime parkeerplaats van restaurant 't Bomenpark in Heesch is voor mij. De eetgelegenheid ligt op de rand van natuurgebied de Maashorst. Op het terras kijk je uit over een meer. Een mooie plek en dat is zichtbaar geen geheim. Op deze uitzonderlijk zonnige zondag in februari is het hier absurd druk.
Ik sluit aan in de rij op het terras. De bediening wijst iedereen een plek, dat wil zeggen, als er nog plek is. Het terras is vol, maar binnen in de serre en in het restaurant zijn nog plaatsen, legt een jongedame uit aan een jong stel voor me. De jongeman heeft gereserveerd en wenst een tafel op het terras. Hij reageert nors als de jongedame hem voor de tweede keer vertelt dat alle plaatsen op het terras bezet zijn. Zijn vriendin trekt beschaamd aan zijn arm. “Kom, laat nou maar, we gaan,” smeekt ze op fluistersterkte. Maar de jongeman koestert de overtuiging dat er met botheid iets te winnen valt.

De baseballcap op zijn knappe hoofd maakt hem jonger dan hij is, hij begint op een drammerig kind te lijken. Het stel druipt af. Onaangedaan staat de jongedame van de bediening mij te woord. “Bent u met drieën?” vraagt ze op vriendelijke toon. Ik ben alleen.

Ik neem plaats aan een tafeltje in de serre. Links van me zitten twee meiden te keuvelen over laminaatvloeren en rechts voeren twee vrouwen, mid-dertig, een gesprek rondom resistentie. “Weet je wat het is met medicijnen?” vraagt de een aan de ander zonder op antwoord te wachten. “Het pakt ook gezonde dingen aan. Het is net als met hagel schieten. Je moet het een beetje targetten.” Dit laatste woord zegt veel over de werkomgeving van de dames.

De man van de bediening onderbreekt mijn afluisterpraktijk. Ze hebben vier soorten gebak. Hij vindt mijn keuze voor het nougatinegebakje een verstandige.
Een hond blaft en een soortgenoot keft een nerveus antwoord. Het lijkt hier krap, wat met het gebruik van de ruimte heeft te maken. Er staan drie kinderwagens in en er drentelen vele aangelijnde honden rusteloos om tafel- en stoelpoten. Een vierde kinderwagen wordt bij een tafel voor me gestald. De nieuwe ouders kijken ietwat moedeloos de volle serre in. De baby slaapt. Moeder zal ergens voorin de dertig zijn; papa rond de veertig. Zijn keurig gekapte baard heeft een grijs befje.

De man van de bediening brengt mijn taartje en loopt door naar de tafel met de nieuwe ouders. Het gesprek rechts van me wil maar niet vlotten, maar wordt wel steeds raadselachtiger. De flarden die ik ervan opvang vormen een thriller in mijn hoofd.
“…funnel…”
“…afbraaksysteem…”
“Er gaat iets niet goed!”
“…DNA-onderzoek…”

Omdat ik denk dat afbraaksysteem een onjuist woord is, toets ik het in op mijn mobiel. Wat ik daarop lees, belooft weinig goeds. Het woord is echter wel juist. De meiden links van me praten lustig verder over niks. Fijn is dat, weinig zeggen en het toch naar de zin hebben. In hun ogen ben ik een oude alleenstaande man. Een van de meiden geeft me een begrijpend knikje met haar bolletje. De bediening brengt mijn koffie en vraagt me of hij gelijk had. “Gelijk?” reageer ik met volle mond. “Ja,” zegt hij. “Dat het nougatinegebakje een verstandige keuze is?” Ik prijs het lekkers en veeg wat crème van mijn lippen. Het personeel werkt hard en toch worden bestellingen niet synchroon uitgeleverd. Tussen mijn koffie en gebakje zitten ruim vijf minuten. De een krijgt zijn thee en diens tafelgenoot wacht nog tien minuten op een cola.

Verderop zitten twee piepjonge stellen aan een tafel. Ze hebben het naar hun zin. De vrouwen praten druk met elkaar. Hun partners hebben een groot glas bier voor hun neus en grappen. Ze leunen ontspannen achterover en lachen naar de wereld en de toekomst. Niemand kan hen iets maken. Een krachtig tafereel. Allebei dragen ze een baseballcap.

Een mes valt, een hond blaft, een baby slaat aan, een mama staat op en lispelt troostende brabbeltaal in een kinderwagen. De hond krijgt op zijn kop en de baby zwijgt. Een van de breed lachende mannen steekt zijn hand naar me op. Ik zat te staren.

De nieuwe mama voor me sopt een bos munt in een kom heet water. Uit deze bos zijn drie tot vier potten muntthee te trekken. Ze glimlacht naar haar partner, die verveeld zijn mondhoeken omhoogtrekt. Hij wil weg van hier, weg van het vaderschap en doodsaaie zondagen. Ik zie het.

Een van de keuvelende meiden links naast me is plassen. De andere zegt tegen de man van de bediening dat ze zojuist ook al om de rekening vroeg. Hij verontschuldigt zich en zij zegt dat dat niet nodig is.

“Dubai,” laat een van de dames rechts zich ontvallen. “Mindset is euh…” zegt de ander. Het wordt wel erg vaag op deze manier. Moet ik ingrijpen? Niet nodig. “Ik focus me op het positieve, ik wil niet blijven hangen in zelfmedelijden,” concludeert de voormalig inwoner van Dubai. De ander knikt instemmend en plots, als donderslag bij heldere hemel, beginnen ze allebei als razenden op hun telefoon te appen. Tikke-tikke-tikke-tikke. Uitgestelde behoeftebevrediging, zoals verstokte rokers gauw drie sigaretten achter elkaar roken na een nicotinevrije periode van een paar uur. Iemand van de bediening komt zeggen dat hun bestelling vergeten is.

De meiden naast me zijn inmiddels vervangen door een doodnormaal stel met twee kinderen. Ik kan de leeftijd van de kinderen niet rijmen met die van hun ouders. Zouden het opa en oma zijn? Stiekem bestudeer ik de gezichten van de kinderen, twee meisjes, een van zeven en een van acht jaar. Ze lijken erg veel op de twee volwassenen. Goed, toch papa en mama.
De vrouw voor me eet van een sandwich met rosbief. Manlief eet niks en kijkt met de minuut verveelder. Hij werpt zelfs een korte blik in de kinderwagen. De baby is er nog.

De kinderen naast me wachten op de smaken. Ze bestellen pas een ijsje als ze weten welke smaken er zijn. Het oudste meisje zegt zomaar dat wandelen leuk is. Mama denkt dat dat door het mooie weer komt. “Mag ik in het badje?” vraagt het jongste meisje enigszins overmoedig. Papa denkt even na. “We doen wel wat water in de badkuip.” Iemand van de bediening heeft eindelijk de smaken achterhaald. De meisjes willen aardbei. Ze willen altijd aardbei.

De verveelde man met het grijze befje spert gewillig zijn kaken. Vrouwlief voert hem partjes sandwich. Ze wil dat het gezellig is, leuk, op z’n minst. Ze is lief. “Een koffie voor meneer,” zegt een bediende.

Er blijkt een piepklein hondje in de tas aan de rollator te zitten. Niemand had het beestje opgemerkt, met uitzondering van de spichtige teckel onder de belendende tafel. De vrouw achter de rollator is breed van onder naar boven. Zweet parelt op haar voorhoofd als ze zuchtend plaatsneemt aan een tafeltje. Ze lacht vriendelijk naar de twee meisjes die het hondje willen aanraken. Het hondje keft een keer fel. De meisjes trekken hun handjes terug.

De dames rechts van me bespreken hair extensions en halen herinneringen op aan kleren shoppen in Vietnam. “Mag ik de rekening?” vraagt de vrouw met het resistentieprobleem aan een passerende ober om meteen daarna “Nou, ik vond het gezellig” te zeggen. De andere vrouw begint terstond opgelucht te lachen: dit afspraakje is spoedig voorbij. Het gesprek eindigt met een verwijzing naar het sinterklaasjournaal. Kinderen geloven nog ergens in en vriendschap is voor altijd.

Een ober wurmt zich tussen de tafels door met een groot bord met brood en twee vervaarlijk rollende kroketten. De verveelde man met het grijze befje gaat rechtop zitten, bestek in de aanslag. Zijn lief dept het laatste stukje sandwich in een plasje saus op haar bord. Ze is blij dat de kroketten er zijn. Ik betaal en verlaat de serre.

Op de parkeerplaats rijden auto’s rondjes, net zolang totdat er een plaatsje vrijkomt. Kunnen ze eindelijk gaan wandelen.
terug

twee

vervaarlijk

rokende

kroketten