Bijtanken

- 13 October 2019 door Edwin Timmers -

De keurslager runt zijn winkel aan een plein in een middelgroot dorp. Hij juicht het toe dat de Aldi terugkomt. Nadat die vertrok daalde de omzet van zijn zaak en andere zaken. De Duitse grootgrutter trekt een ander publiek. Dit publiek komt misschien weer terug. Ik merk op dat het plein aan levendigheid heeft gewonnen, oftewel, meer volk trekt sinds de komst van de nieuwe lunchroom. De keurslager beaamt dat met een vies gezicht. Er is inderdaad meer leven op het plein, maar speciaalzaken als de zijne hebben baat bij een publiek dat thuis kookt. Je kunt je maag maar een keer vullen en als je dat doet in een lunchroom, dan loop je zijn zaak voorbij.
Je kunt je maag maar een keer vullen. Ik wacht op mijn beurt in de shop van een Shellpomp en draai me om. Het Noord-Brabantse provinciehuis vult mijn blikveld. Is het een mooi gebouw? Ik weet het niet, maar het imponeert wel. De Shellpomp staat aan een kruising die tijdens de spits met behulp van verkeerslichten dikke stromen verkeer in goede banen leidt. Het heeft iets braafs, die honderden automobilisten die gehoorzamen aan betekenisvolle lichtsignalen.
“Zegt u het maar!” Het meisje achter de kassa kijkt me vanonder de klep van haar groene bedrijfspet ietwat ongeduldig in de ogen. Rond dit tijdstip heeft ze veel klanten te verstouwen.

“Mag ik een broodje oude kaas met rucola?”
Het meisje tikt wat op de kassa en vraagt zonder op een antwoord te wachten aan haar collega achterin of die het broodje kan bereiden.
“Met boter?” vraagt ze vervolgens weer aan mij. “Ja,” zeg ik.
“Bruin of wit?”
“Bruin,” antwoord ik.

Nu mag ik afrekenen en plaats maken voor de volgende klant. Ik stap opzij en wacht voor de broodjesbalie. De collega komt gelopen, zelfde leeftijd, iets stoerder. Ook zij draagt een groene bedrijfspet – Shell heeft kennelijk iets met groen. Op de binnenzijde van haar linker onderarm prijkt een flinke kleurrijke tatoeage.
“Een broodje oude kaas met rucola?” vraagt ze zonder me aan te kijken. Ik bevestig.
“Met boter?”
“Ja.”
“Bruin of wit?”
“Bruin,” antwoord ik.
Ze gaat aan de slag.

Bij de kassa houdt een man een kan koelvloeistof omhoog en vraagt of het spul ook in een diesel kan. “Eens kijken,” zegt de kassière terwijl haar blik vluchtig over de kan schiet. “Dit kan overal in ja.”

Mijn broodje wordt in papier gerold. “Je hoeft het niet in te pakken, hoor,” grijp ik in. “Ik eet het hier op.” Het meisje reageert betrapt, opeens is al haar coolheid verdwenen. Met een laatste snelle beweging plakt ze het papier nog gauw dicht met een ronde sticker – Deli by Shell – en draagt het lekkers aan mij over. Haar blik staat op verlegen.

In de hoek naast de ingang neem ik plaats op een van de drie hoge krukken aan een nog hogere in beukenfineer uitgevoerde tafel. Een tot op het bot gestripte lunchroom. Vanaf hier kijk ik uit over de tankplaats en het kruispunt en heb ik het provinciehuis in mijn rechter ooghoek. Bij een van de pompen staat een vrouw te hannesen met een klein benzinekannetje. Haar man kijkt toe. Het kannetje stroomt proestend over. De vrouw begint te poetsen en de man kijkt nog even toe voordat hij naar binnen loopt om af te rekenen. Ze heeft veel papieren doekjes nodig, ook voor haar handen.

Een jonge vrouw loopt de shop uit met een flesje sportdrank en stapt in een nieuwe Porsche. Ze draagt een strakke sportbroek, ze zal gaan trimmen. Uit de speaker boven mijn hoofd klinkt oersaaie soulfunk, muziek voor mensen die niks om muziek geven. Een geluidsdecor uit de slaapverwekkende koker van een ongetwijfeld veel te duur betaalde marketingstrateeg. De bliepjes van de kassascanner zijn boeiender.

Ik zal een van de weinigen zijn die zijn broodje of snack in de shop nuttigt. Meestal gaat het mee de auto in. Hier wordt letterlijk fastfood verkocht, fastfood voor mensen met snelle gezichten, mensen onderweg, altijd onderweg.
Is de MINI een dorstige auto? Ik ga het geloven. De zesde wordt hier nu al volgegooid. Vorige week noemde iemand de MINI een vrouwenauto. Ik vond dat toen een generaliserende opmerking. Nu ga ik ook dit geloven. Alle zes worden bestuurd door keurig geklede en gekapte vrouwen die volledig opgaan in de distinctie die hun professionele rol hen oplegt. Prachtige dames wier dochters later een Porsche rijden. Daar zorgen ze wel voor.

Maar ik moet eerlijk zijn. Dit hier, dit kruispunt, dit pompstation, de driehoog bebouwing rondom, dit alles is lelijk. En toch, ik kan het niet ontkennen, spreekt het me aan. Met mijn ellebogen op het beukenfineer zit ik tot rust te komen en de tijd te vergeten. Het schemert al een heel klein beetje. Koplampen, lichtbakken, remlichten en tl-balken: kunstlicht verkent alvast voorzichtig de ruimte. Een forse man met ingevallen mond kwakt een zak ‘screenwash’ op de tafel en komt naast me staan. Zijn ruimvallende joggingbroek danst om zijn benen die op de muzak meebewegen. Dwangmatig beroert hij het scherm van zijn mobiel met twee duimen. Het scherm raakt zowat zijn neus die prominenter wordt door zijn ingevallen mond. “Meneer, uw koffie!” roept het meisje achter de broodjesbar. Hij haalt de kartonnen beker op, zet deze op tafel en gaat verder op de telefoon. “Godverdomme,” mompelt hij bij het oppakken van de beker voor de eerste slok. Hij loopt naar buiten en kiept de helft van de inhoud in een vuilnisbak bij de ingang. Weer binnen spreekt hij de kassière aan.
“Wat is dit?” vraagt hij, de beker omhoog houdend.
“Koffie, meneer,” antwoordt het meisje.
“Ja dat zie ik. Maar is dit een kleine?”
“Een medium, meneer. Precies wat u bestelde.”
“Okay. Ja, okay. Maar het lijkt wel een grote.”
Hij zet de beker terug op tafel en gaat opnieuw verder op zijn mobiel. Zijn benen bewegen mee op de muzak in de shop, zijn ruimvallende joggingbroek danst.

terug

precies

wat

u

bestelde