Binnendoor poederen

- 20 March 2019 door Edwin Timmers -

In Utrecht, de woonplaats van mijn zoon, is een aanslag gepleegd. Nieuws hierover houdt me bezig op de fiets richting Rosmalen. Rondspokende kille feiten worden echter overstemd door merels die in gloedvolle zanglijnen de lente, dat onbevattelijk mooie jaargetijde, aankondigen. Dikke witgrijze wolkenpakketten schuiven voor een strakblauwe lucht. Een bui en dan weer zon.
Het winkelcentrum van Rosmalen is flink uitgebreid. Middelpunt van de uitbreiding is een voormalige villa. Aan de achterzijde van dit pand is een serre gebouwd en daaraan weer een terras. Sinds de oplevering ergens in 2018 zit hier Grand Café Rosmaelen en daar ga ik eens kijken.

Groen en gastvrij, zo duidt het grand café zichzelf op de ietwat onbeholpen website. Het gastvrije deel is zeker waar, voor het groene moet je oog hebben – het zou een verwijzing kunnen zijn naar de kleine eik in een pot die centraal in de serre is geplaatst.

Over de gemetselde en wit gevoegde vloer loop ik linea recta naar de bar om te melden dat ik een kop koffie kom drinken. De twee diensters vinden dat prima. Ik mag gaan zitten waar ik wil dus kies voor de schaduwkant omdat de zonnekant me achter het glas te warm lijkt. Jas uit, plaatsnemen en mobiel en boek op tafel. Als ik het boek opensla, zet de jongste dienster een kop koffie op mijn tafeltje. Dat is snel, ik wilde net gaan bestellen. Ze hebben gebak en dat komt eraan.

Links kijk ik op de straat en rechts overzie ik de hele serre met zelfs een deel van de bescheiden keuken. Voor mij, een tafeltje verder, zit een man alleen. Verzorgd kapsel, grijs en met wat gel bedwongen haar, ruig ringbaardje, donkerblauw colbert boven spijkerbroek, geen stropdas op een wit overhemd met een fijn lichtblauw streepje. Hij knikt naar me en puzzelt verder in de krant. Een Google-recensie over dit café heeft trouwens de krant als onderwerp. De bezoeker had vastgesteld dat de krant waarin hij las een dag oud was. Het verse nieuws kwam pas tegen zessen. Een gekregen paard in de bek kijken. Ik moet geen recensies lezen, ze verpieteren mijn mensbeeld.

De keuken is onbemand, de kok staat op straat. Hij rookt een sigaret en ijsbeert met een mobieltje aan zijn oor waarin hij geanimeerd kletst. Geen belangrijk gesprek, schat ik, hij doodt de tijd die een peuk duurt.

Aan een tafel bij de kleine eik zitten een moeder en haar dertigplus dochter. Zeker weet ik het niet, maar het leeftijdsverschil en de ontspannen, bijna onverschillige manier van samenzijn duiden op zo’n relatie. De dochter heeft een poederige waas over haar gezicht. Moeder heeft duidelijk meer werk van zichzelf gemaakt. Ze is helemaal af. In haar veilige en vertrouwde nabijheid kan dochterlief gerust wat binnendoor poederen. Mama bewondert en benijdt de jonge glans van haar kind, maar zegt dat niet. Ze houden elkaar in ere en babbelen wat. Ze hanteren hun mobieltjes zoals ze schoenen grabbelen in de vijf-euro-bak: losjes en gezellig, omlijstende bezigheden voor gespreksonderwerpen die erin hakken. Wel of geen baby, een enigszins losbandige vriend, loerende stress en maanden oude eksterogen. De dochter gaat naar de wc, mama appt het thuisfront en wenkt een dienster voor de rekening.

“Die de aanslag beraamden, hebben zich misrekend.” Letterlijk de eerste zin die ik lees. Een kort verhaal van W.F. Hermans. Ik denk aan Utrecht. De kok heeft niks te bakken en zit nu aan de bar in het uiterste einde van de serre. Ondanks de afstand kan ik de verhalen die hij de twee diensters voorschotelt goed volgen. Zijn stem draagt ver. In reuzelvet Brabants doet hij verslag van zijn weekend.

De man met de krant vertrekt en moeder en dochter zijn reeds weg: ik zit alleen in deze hoek van de serre. De serveerster die het tafeltje van de man afruimt, kijkt me eens vriendelijk in de ogen, een gespreksopening. Ik grijp mijn kans. Ze hapt.

“Vijftien jaar, misschien wel vijfentwintig, zo lang lag het centrumplan er al. Maar goed, het is er, en het is geslaagd inderdaad. Het oude centrum moet een horecaplein worden. Voordat ik hier begon, werkte ik in een van de cafés aan dat plein. Dus ik weet er wel wat van ja. Winkeliers uit het oude winkelcentrum vreesden voor terugloop van klandizie door de uitbreiding van het centrum. Hebben ze me letterlijk verteld. Maar het tegenovergestelde gebeurde. Het is drukker geworden. Meer mensen van buiten en minder mensen van hier gaan naar de stad. Je kunt hier wel een middagje doorkomen.”

Ze zet mijn koffiekop en gebaksbordje op het dienblad dat op haar andere hand balanceert. Een bezige houding, altijd in de startblokken, duizenden handelingen per dag en ’s avonds evenzoveel stappen op de teller.

“Soms staan er hier al voor negen ’s morgensvroeg mensen op de stoep. Dan stap ik met de eerste klanten naar binnen. Als ik de koffiemachine aanzet, zoeken zij alvast een plekje. En elke dinsdagochtend, ja, dan zit het hier vol met jonge moeders.”

Mijn opmerking dat ik daar graag tussen zou zitten, negeert ze, min of meer, want een lichte frons kan ze niet onderdrukken. Dat het mij om de verhalen te doen is, houd ik voor me. Heel even wordt ze afgeleid door iets wat buiten gebeurt en begint dan aan de afronding.

“Op maandagen zoals deze is er eigenlijk geen peil op te trekken. Vandaag is het best zonnig, je ziet het zelf, het is een komen en een gaan van mensen.”

Een luidruchtige groep van niet meteen aan elkaar te relateren lieden komt de serre binnen. De serveerster gaat erop af om hen welkom te heten en de weg te wijzen. De kok staat inmiddels weer in zijn keuken. De andere dienster brengt een schaal gefrituurde hapjes naar twee verlegen dames op het terras. Heel gesofisticeerd knabbelen ze aan het krokante snoepgoed. Ze voelen zich betrapt als ik hen even later in het voorbijgaan groet. Ze kijken me niet aan, maar ik zie wel mooi wat bitterbalkorrels als discomix op hun lippenstift. Het hoeft niet altijd een salade te zijn, mummel ik, of een uitsmijter.
terug

linea

recta

naar de

bar