Bushalte

- 05 October 2017 door Edwin Timmers -

Treuzelen is niet zijn aard. Ronald Bruggencate drukt zijn wekker af en staat op. De enige twijfel die hem parten speelt betreft de kus aan zijn vrouw. Het wel of niet kussen van haar in de vroege ochtend bepaalt hij aan de hand van de liefde die hij op dat moment voor haar voelt. Vandaag is het net iets te weinig voor een kus. Hij dekt zijn plek weer toe en maakt zich op voor de dag. De staande klok in de woonkamer slaat zes keer. De hamster begint aan het eerste oneindige rondje in zijn looprad. Ronald zet koffie.
Een luie wind speelt met het lantaarnlicht op het natte wegdek. De zestiger besluit naar de bushalte te fietsen. Het geluid van fietsbanden op nat asfalt maakt hem gelukkig. De bushalte is schaars verlicht. Iemand zit onderuit gezakt op het bankje in het hokje. Ronald zekert zijn fiets met een zware ketting aan een stalen buisframe. Het sleuteltje stopt hij in het kleinste vakje van zijn aktetas.

De onderuitgezakte is een jonge meid. Met gesloten ogen luistert ze naar muziek via de oortjes van haar mobiel. Haar hoofd valt, waarschijnlijk op de maat van een lied, van links naar rechts. “Your love,” schreeuwt ze. “Your love sucks!” Haar onderkaak wiebelt onrustig.

Ronald aarzelt even, maar gaat toch het hokje niet in. Voor het eerst sinds achttien jaar gaat hij het hokje niet in. Of zal hij het wel doen? Warm, hij knoopt zijn jas los. Voor het eerst in achttien jaar twijfelt hij buitenshuis. “Hee Bruggencate!”

Ze heeft zich opgericht en kijkt lodderig naar de staande figuur. “Het miezert. Je vat nog een kou verdomme. Tering!” Miezer blijkt een eufemisme. Ronald stapt het hokje in en herkent Carol, de verloren gewaande dochter van Willem en Ans Warrenburg. “Carol!”

Carol is Bambi, zeker nu, haar ogen zijn groter dan het hoofd aankan. Teveel Bambi. Er ontsnapt een snik aan Ronald, en nog een, en nog een. “Miezer is een eufemisme,” brengt hij snikkend uit. Carol schuift zo goed als ze kan een plekje vrij op het bankje en maant hem naast haar plaats te nemen. Stijfjes zet hij zich. Carol legt haar hoofd op zijn borst. “Ik verman me,” bibbert Ronald. “Je bent gek,” mompelt Carol bijna onhoorbaar. Ze slaapt als door ronken voortgestuwde koplampen de natte straat aan flarden scheuren. “De bus!” Ronald tilt Carols hoofd van zijn borst. “De bus!” Haar glimlach smelt snel. “De bus wacht niet, hè,” duwt ze over haar lippen. “De bus wacht nooit. Kutbus. Vannacht was ik gelukkig.”

Ronald stopt de bus. Zijn overhemd staat strak over zijn borstpartij. Hij helpt Carol overeind en begeleidt haar naar het voertuig.

“Stap je niet in?” vraagt Carol met een voet op de treeplank. Haar handen zoeken houvast en vinden houvast.
“Euhm, nee, ik ben iets vergeten,” roept Ronald naar de verdwijnende gestalte achter de sluitende deuren. Ze lijkt nog naar hem te zwaaien, maar zeker weet hij dat niet. De nacht, denkt hij, daar kun je jezelf op voorbereiden. Boven het appartementencomplex aan de overzijde dringt zich het diepste blauw op. Ronald kokhalst.
terug

het

miezert