Droomhuis

- 27 June 2017 door Edwin Timmers -

Een keer vaker maakte ik zo'n eigenaardige entree. Op de oprit tref ik een man die net als ik een koffertje draagt. We groeten elkaar. Hij belt aan. Een vrouw van middelbare leeftijd doet open en zegt; Hoi Leo. Ze wendt zich tot mij en reikt me de hand. Hans, zeg ik. Lisa, zegt zij. Fijn dat je er bent. Fijn dat ze dat fijn vindt, maar ze weet niet waarvoor ik kom. Ik wil het haar vertellen, maar Leo start een woordenstroom die voorlopig nauwelijks te stelpen blijkt. We lopen het huis door naar de achtertuin. Daar treffen we Jack, die erg blij is Leo te zien. Lisa stelt me aan Jack voor. Fijn dat je er bent, Hans, zegt hij. Jack praat ook veel.
Leo is de aannemer die het tuinhuisje in de achtertuin van Jack en Lisa bouwt. Een bouwwerk dat nagenoeg even groot is als het woonhuis. Toch spreekt het stel consequent van tuinhuisje. Ik loop achter hen aan de nieuwbouw binnen. Voor zover ik het kan inschatten, is het op het schilderwerk na af. Jack toont Leo een tiental kleine onvolkomenheden, die Leo noteert.

We lopen terug de tuin in en gaan zitten op gammele kunststof stoelen rondom een ovalen tuintafel, precies tussen de twee huizen in. Jack en Leo praten en praten. Lisa schenkt zonder iets te vragen voor iedereen koffie in. Ze richt zich tot mij terwijl ze twee scheppen suiker, met een kop erop, in elk kopje laadt. Bijna vijfentwintig jaar geleden, op hun trouwdag, kwamen ze hier wonen. Hierna begon de droom van een tuinhuisje vorm te krijgen. Iedere maand spaarden ze een klein bedrag. Jack maakte tekening op tekening. De plannen sudderden op een iets lager pitje na de geboorte van hun twee kinderen. Wel werden de plannen wilder, simpelweg omdat de behoefte aan extra vrijetijdsruimte door de opvoedingsverplichtingen groter werd.

Lisa schenkt koffiemelk in alle kopjes en roert de mengsels door. Als zwartdrinker huiver ik bij de gedachte dit lichtbruine goedje naar binnen te gieten. Maar het zal me lukken. Ik laat het getater aan tafel voor wat het is en kijk nog eens goed naar het tuinhuisje. Ga daar maar eens kijken, werd me opgedragen. De familie Wijnands bouwt een buitenproportioneel groot huis in haar tuin. Ik moet toegeven: het is echt heel groot. Een onderbouw van donkere baksteen waarop een houten skelet is geplaatst. De buitenkant is afgewerkt met cederhouten planken. De nok ligt op bijna zes meter, schat ik. Binnen zag ik zojuist een badkamer, met douchecel en ligbad. Ik zag een keuken met kookeiland en een woonkamer waarin een zithoek en eettafel alle ruimte zullen hebben. Via de tuindeuren van de woonkamer kom je op een flink betonnen terras, waaroverheen een zware overkapping van robuust eikenhout op vier pilaren is geplaatst. Op de overkapping en op het tuinhuisje liggen gebakken dakpannen.

Lisa ziet me kijken en raadt wat ik denk: ‘Groot hè! Jack en ik zijn er ook van geschrokken. Maar als je na zoveel jaren je droom realiseert, kun je hem eigenlijk niet meer beheersen. Waar ligt immers de grens van een droom?’ Ik neem een slok koffie.

Jack en Leo lijken een heel eind door hun tekst heen. ‘Niettemin vind ik het fijn dat je de schilder hebt meegenomen,’ zegt Jack. ‘Kunnen we dat ook gelijk afhandelen.’ Leo kijkt Jack verbaasd aan: ‘Schilder?’ Jack wijst naar mij en antwoordt onzeker: ‘Hans, hier, toch? Je zou vandaag met de schilder langskomen, zei je vorige week.’ Leo zegt dat hij mij niet kent, wat klopt. De schilder had vandaag geen tijd. Hij komt zaterdag even langs. ‘O?’ zegt Lisa.

Jack vraagt me wat ik dan kom doen. Eindelijk. Ik vertel dat ik bij de gemeente werk en dat ik vrees dat het tuinhuisje hier niet mag staan. Het wordt doodstil aan tafel. ‘Kijk, daar, een Vlaamse Gaai,’ probeer ik luchtig. De huid van Lisa en Jack kleurt van wit naar rood en weer terug naar wit. De huid van Leo doet ongeveer hetzelfde, maar neemt er meer tijd voor. Jack herpakt zich het eerst en vraagt met een bibberige stem: ‘En wat als we het woonhuis zouden slopen?’”
terug

niets

is

wat het

lijkt