Een horeca interieur om jaloers op te zijn

- 21 August 2020 door Edwin Timmers -

Mijn vakantie zit er bijna op. Terrasbezoek lijkt steeds meer op paniekvoetbal. Ik wil overal nog even geweest zijn, maar ben uiteindelijk nergens meer. Zag ik nog mooie interieurs? Eerlijk gezegd niet, hoewel, ik zag er één, maar die was voor het moment onbereikbaar.

Afgemeten aan het aantal verhalen dat ik van de week hoorde, kan ik met gemak tien columns vullen. Helaas werd het gros ervan op straat of in de huiskamer verteld, dus kan ik er hier niks mee. De terrassen die ik bezocht, huldigden stuk voor stuk de anderhalve meter afstand. Zag ik eens een eigenaardig stel raar gedrag vertonen, kon ik niet horen wat ze elkaar toebeten. Gelukkig zorgden twee acrobaten voor vertier.

Vorige week had ik het over het terras in het Bossche Zuiderpark. Dergelijke tijdelijke terrassen zijn er momenteel meer in die stad. Zo staken Café De Palm, restaurant Swanjee en eetcafé De Keulse Kar de koppen bij elkaar en bouwden van podiumdelen een ruim terras op het gazonnetje dat tegen de Sint-Janskathedraal aan ligt. Elk van de drie horecazaken heeft haar eigen kleur stoelen en parasols. Bij het betreden van het terras heet een medewerker welkom en legt uit welke kleur bij welke zaak hoort. Ik wilde naar De Palm dus koos ik hun kleur. Anja vond het best. We bestelden een portie bitterballen, een Aperol Spritz en – logisch – voor mij een Duvel.

Twee gespierde jongemannen met innemende blik dienden zich aan. Allebei droegen ze een ketelpak van spijkerstof. Een van hen sleurde een stalen trap met zich mee. De acrobaten begonnen met hun act. Schijnbaar achteloos haalden ze hun halsbrekende toeren uit. Vakwerk verkleed als slapstick. Prachtig. Niet iedereen is echter gediend van deze gespierde kolder, zeker niet als de acteurs contact zoeken, als publieksparticipatie onderdeel van de act is. Een man die met zijn vrouw en twee kinderen zat te eten zette zijn gezicht op onweer en begon nors en in hoog tempo zijn maaltijd naar binnen te scheppen. Ik kreeg een compliment van de kleinste acrobaat vanwege mijn keuze voor Duvel.

Geen acrobatiek op het terras van Grand Café Oosterbeek in, jawel, Oosterbeek een paar dagen eerder. Wel een bovengemiddeld aantal gasten dat slecht ter been was. Wie Oosterbeek ooit aandeed weet dat het een plaats is waar getuige de enorm grote huizen veel geld zit. Dit ben je op slag vergeten als je het Grand Café, dat zich als laagdrempelig profileert, bezoekt. Geen kouwe kak hier. Dit is een etablissement waar de gewone mens zijn zuur vergaarde centjes neertelt voor een broodje kaas en een kop koffie. Het interieur zou tien jaar geleden modern zijn geweest, niet bijzonder, wel up-to-date. Nu is het sleets, op sommige punten zelfs matig onderhouden. Niet erg overigens, maar het valt wel op. Aan de tafel naast de onze neemt een vrolijke man plaats. Op het moment dat zijn billen de stoel raken staat de uitbater bij hem. “Doe maar een halve liter,” zegt de vrolijkerd. Krap vijf minuten nadat de uitbater het glas voor hem heeft neergezet, is het leeg. Hij wenkt de uitbater, die als een geest uit de fles verschijnt. “Doe er gauw nog maar een en neem het lege glas alsjeblieft mee.” Mijn broodje omelet wordt meteen daarop uitgeserveerd. Ze richten zich hier op een volle maag van hun gasten. Anja heeft bijna een half uur te werken op haar broodje gezond. Ze krijgt er zweet van. De vrolijkerd nipt ondertussen van zijn nieuwe halve liter bier en begroet twee vrouwen die bij hem aanschuiven. Het blijken zijn vrouw en hun dochter. Ze hebben zich ingehouden. Als ze zich hadden laten gaan, hadden ze de winkel leeggekocht. Nu hebben ze slechts drie papieren draagtassen vol met kinderkleertjes. De dochter laat de tassen aan haar tonronde zwangere buik zien. Heel schattig. Haar vader zet intens gelukkig het glas weer aan zijn lippen. “Dit zal toch niet je eerste pilsje zijn?” vraagt zijn vrouw. “Jawel hoor,” antwoordt hij met een uit steen gebeitelde glimlach. Zijn vrouw lacht met hem mee.

Een dag later was ik voor het serieuzere werk in Oss. Samen met een plaatselijke kunstenaar en diens vrouw bezocht ik een tentoonstelling waar een aantal van zijn tekeningen hingen. Druk pratend liepen we door het centrum. De kunstenaar nadert de tachtig, zijn gestiek past bij zijn leeftijd. Hij kiest zijn woorden zorgvuldig, een zorgvuldigheid die door zijn jaren naar verstrooidheid neigt. Het stel wilde me trakteren op een kop koffie. “Dan hebben we iets meer tijd om te praten,” lichtte hij toe. Eerder die middag liet hij weten dat hij vanwege zijn leeftijd steeds moeilijker aansluiting vind bij de jongere generatie. Ik ben bijna dertig jaar jonger dan hem, niet heel erg jong meer dus, en meende toch te begrijpen wat hij bedoelde. In de ogen van twintigers ben ik een oude man; in mijn eigen ogen meen ik nog altijd mee te kunnen. Mijn ogen bedriegen me, gelukkig. De kunstenaar loodste ons naar de Peperstraat. Dit smalle straatje is de parel van Oss. Er hangt een sfeer die het goedbedoelde, maar ietwat suffe heden met het rauwe industriële verleden van deze plaats verbindt. Ik keek de straat in en zag karren rijden, ik zag sjacheraars met boerenpetten en vrouwen met kisten sjouwen. De levendigheid van weleer klinkt nog door in dit straatje. Veel horeca hier, mooie zaken. We namen plaats op een terras en bleven maar praten, praten en praten. Van boeken naar films, van schilders naar politiek en weer terug. Ik vergat mijn ogen de kost te geven. Het exterieur, het straatbeeld, was zo goed dat het mijn blik op de interieurs barricadeerde. Wel zag ik uitbaters van verschillende zaken op opvallend losse wijze met elkaar een praatje maken, buiten, leunend tegen de pui van hun zaak. Ze weten wat er in hun straat speelt, zoals de bewoners van lang her dat ook wisten.

Gisteren was ik in Breukelen, in Breukelen en Nieuwersluis en Loenen, allemaal plaatsen aan de Vecht. Grandeur, dikke vette landhuizen te midden van strak geschoren groen. Huizen waarin indertijd met gemak tien tot twintig arbeidersgezinnen gelukkig hadden kunnen zijn. Een dagje oud geld besnuffelen in Breukelen, Nieuwersluis en Loenen. Wij waren niet de enigen, de terrassen zaten vol, coronavol, met wachtenden bij de entree. Een knakker met een grijs-gele hangsnor wilde bij een ervan voordringen en met een uitgestreken tronie verongelijkt gaan doen. Ga je gang sukkel, ik eet straks wel. Hup, op de pedalen en weer genieten van wat de rijken ons willen tonen. Mijn mobiel pingt, een appje van mijn zoon vanuit Hamburg. Een foto van de zaak waar hij met zijn vriendin zit te eten. Een interieur waar je u tegen zegt. Standard heet de zaak. De inrichting kan zo door als het decor voor een vroeg twintigste-eeuwse roman over het Duitse familieleven. Afgebladerd stucwerk en leidingen over de muur, een ongewoon intieme balans tussen donker en licht. Licht dat boven de tafels, daar waar het gesprek zich afspeelt, wordt geconcentreerd. Op alle tafels glazen vazen met bossen verse bloemen. Zo houd je de dood op afstand, hier wil ik naartoe. Ik wil weer naar binnen.

terug

ik wil

weer

naar

binnen

Inspiratie voor je interieur Horeca interieur horeca inrichting Duurzaam interieur Beleving in de horeca Verhalen uit de horeca Café interieur Circulair bouwen Circulaire interieurs Industrieel interieur industriële inrichting Restaurant interieur terug