Een stormachtige relatie

- 06 December 2017 door Edwin Timmers -

"Hoi Gerlof," roept Dirk. Gestoken in een flitsend outfit van strak om het lijf sluitende dunne, elastische stof sjokt Gerlof op zijn fluorescerende schoenen voorbij. Hij zou hem graag een drankje aanbieden, maar doet het niet omdat het simpelweg geen zin heeft. Gerlof zegt sinds acht jaar altijd nee; de eerste zes met zichtbare trots, de laatste twee met slechts een handgebaar.
De zon zakt reeds, maar heeft aan kracht weinig ingeboet. Na een dag fietsen had ik zin in een glas koud bier. De laatste tien kilometer lukken ook wel met wat sociaal smeermiddel in de benen. Bovendien had ik ‘m verdiend, vond ik. Ik zocht een plek op het terras van het voor mij nieuwe café De Karrevracht. Nauwelijks zat ik of Dirk stelde zich aan me voor en vroeg of hij bij me mocht komen zitten. Hij werkt in de bouw. Als hij daar al vroeg zijn meters heeft gemaakt, gaat hij hier langs voordat hij naar huis gaat. Dat is hij gewend. Zou hij dan niet gewoon wat meer meters kunnen maken? Nee, zo moet ik dat niet zien, vindt hij.

“Gerlof slaat elk pilsje af. Hij wil dat wij geloven dat hij nog steeds die sportman is die niet drinkt. Maar iedereen weet dat hij thuis de ene na de andere krat leegtuttert. Dertien jaar geleden overleed zijn vrouw. Veel te vroeg, echt veel te vroeg. Ze was nog geen dertig. Gerlof was kapot en zou dat vijf jaar lang blijven. Aan het eind van die rouwperiode vertelde dokter Verbakel hem dat stoppen met drinken voor iedereen beter zou zijn, ook voor De Karrevracht, die toch een basisinkomen aan hem had.”

Gewaarschuwd dronk ik van mijn bier. Dirk deed hetzelfde, doch vrolijker, en ging verder.

“Zo meteen loopt Gerlof nog een keer langs, op weg naar huis. Bekijk hem maar eens goed. Je zult niet geloven dat hij iets meer dan twee jaar geleden het lijf van een Amerikaanse topsprinter had. De dag nadat dokter Verbakel hem had toegesproken, begon hij met rennen. Sinds die dag komt hij niet meer hier. Vanaf toen sprintte hij elke dag twee keer de kroeg voorbij. Nu sprint hij niet meer, maar komt nog wel voorbij in de bijbehorende outfit.”

Dirk geniet van zijn vertelling. Hij heeft gelijk als hij denkt dat ik meer wil horen.

“Je zag hem helemaal opbloeien. Hij was weer die mooie kerel van weleer: gespierd, zonnebruin en met een dansende bos donkerblond haar op zijn hoofd. Zijn diklippige mond lachte iedereen toe. De vrouwen van De Karrevracht zagen hem graag passeren. Josien ging verder dan kijken. Ze wou hem. Een jaar voordat ze hem letterlijk van straat trok, had ze zich ontworsteld aan een bijzonder stroeve relatie. Ik zal je de details ervan besparen.”

Dirk negeerde mijn nieuwsgierige blik, met gevolg dat de details van Josiens relatie me helaas bespaard bleven.

“De relatie tussen Josien en Gerlof mogen we met reden stormachtig noemen. En kort, want langer dan een maand duurde die niet. Ze vraten elkaar bijna op. Omdat Gerlof per se niet de kroeg in wou, ging Josien naar hem. Wat er precies gebeurde in die maand is me nooit helemaal duidelijk geworden. Wat ik ervan weet, heb ik niet van haar. De relatie liep stuk en Josien vertrok naar de stad. Ze trouwde kort daarop met een rijschoolhouder. Gerlof begon weer te drinken, fluisterde Wilhelmien van de supermarkt me in. Formeel weet niemand van zijn terugval. Daarom gaat hij nog altijd in dat maffe pakkie over straat.”

Aan de andere kant van de weg sjokt Gerlof voorbij. “Hoi Gerlof,” roept Dirk.
terug

josien

wou

hem