Het Amsterdamse Bos

- 05 September 2017 door Edwin Timmers -

Slechts één keer eerder waren we in het Amsterdamse Bos, mijn vriendin en ik. Die eerste keer was zo goed dat we nog eens gaan. Diep in het Amsterdamse Bos ligt een openluchttheater. Hier zagen we toen het fantastische stuk De Laatste Zomer. Dit jaar speelt de eigen theatergroep samen met Orkater het stuk Julius Ceasar van Shakespeare.
De voorstelling vangt om negen uur ’s avonds aan. Iets na elf in de ochtend stappen we in de auto. Dat is inderdaad al bijtijds. Toch vertrekken we niet zo vroeg vanwege fileangst of andere aandoeningen. We parkeren de auto in het bos en gaan straks per fiets de hoofdstad in, zonder kaart, zonder Google. Dat klinkt net zo avontuurlijk als mijn leven is. Op een paar meter van de parkeerplaats wijst een bordje de weg naar het centrum van de stad, vijfenhalve kilometer.

Het Amsterdamse Bos is tegelijk park en bos, zoals eigenlijk alle Nederlandse bossen zijn. Er hangt een fijne zwart-wittelevisiesfeer, Polygoonjournaalachtig. Wellicht komt dat door de witte ophaalbrug halverwege de duizend meter lange roeibaan.

Als ik een dag van huis ben, wil ik taart bij de koffie. We stappen uit en ik wijs naar een horecagelegenheid aan de bosrand met uitzicht over een grote speelweide. De uitspanning heeft de looks van een strandtent op leeftijd. We nemen plaats op het terras onder een grote parasol, die ons tien minuten later droog houdt. Wisselvallig weer vandaag, helderblauwe luchten het ene moment, veel bewolking even later. Af en toe een drup.

“Ik doe toch maar een broodje gezond,” zegt mijn vriendin. Binnen aan de bar bestel ik twee broodjes gezond. De uitbaters, een vrolijke man en dito vrouw van rond de zestig, eten graag van de eigen kaart, maak ik op uit de omvang van hun buiken. Hij neemt de bestelling op en zegt in onvervalst Amsterdams dat hij twee vervelende mededelingen heeft: ik moet meteen betalen en wel met cash, want pinnen, daar doen ze niet aan. O, en of ik de koffie zelf alvast mee naar buiten wil nemen.

Een paar euro lichter begeef ik me weer naar buiten. De speelweide stroomt langzaam vol met niet aangelijnde honden en sjokkende baasjes, die hondenriemen achter zich aan slepen. Ik wist niet dat er zoveel hondenrassen waren. De dieren bespringen elkaar niet en nemen geen hap uit elkaars oren. Ze hangen gewoon wat rond in de buurt van hun baasje. Een klein pekineesachtig hondje wil graag spelen. Voor de andere honden is dat duidelijk een gepasseerd station. Als ze konden roken, zouden ze een sigaret opsteken en tegen een boom gaan liggen. Beetje ouwehoeren. De Amsterdamse hond is een andere dan de Brabantse. In deze setting zou daarvan nu de helft al op zijn.

Even later komt de uitbaatster gelopen met twee met etenswaar volgestouwde borden op haar handen.
“Zo!” zegt mijn vriendin. “Dat is nog eens een broodje gezond.”
“Nou,” reageert de bazin. “Laat dat gezond maar weg hoor. De eieren zijn vergiftigd, de kaas is oud en de ham doorgeroosterd.”
“En de groentes komen zeker uit het zuur?” vraagt mijn vriendin.
“Ook dat nog,” schatert mevrouw. “Smakelijk, trouwens.”

Buikje rond, op de pedalen. In Amsterdam is het goed, op het museumplein een gekte. We zoeken het Vondelpark en blijken er bijna in te staan. Plots hoor ik gonzen als van een wespennest, een gonzen van rollende R’s dat steeds sterker wordt. We passeren het terras van een exclusief visrestaurant. Een rijtje van zo’n twintig lieden met tennispostuur en ge-V-halsde lamswollen truitjes kijkt uit over de straat, sabbelend op een wit wijntje, hun frêle dametjes imponerend met hun buitenproportionele automobiel, caliber moddervrije 4x4, om het hoekie.

Weinig junks in het Vondelpark. Toch is het er goed doorheen fietsen. Net voordat we het park verlaten, komen we voorbij een afgeladen kinderspeeltuin. Allemaal niet erg jonge doch wel ontzettend hippe ouders met hun drammerige koters. Ik stel voor er even te gaan spelen, maar mijn vriendin wil het gezellig houden. We hebben dorst en nestelen ons op een terras. Langzaam drinken we richting negenen. Heerlijk hoe die alcohol het leven vertraagt en het scherpe van het denken poetst.

De voorstelling begint. Ik zit er meteen in. Vijf minuten later gaat miezer over in gestaag regenen. De voorstelling wordt stilgelegd. Ruim een half uur later wordt ze afgeblazen. Tevreden lopen we door een aangenaam donker Amsterdams Bos naar de auto. Ik zou wel een stuk taart lusten.
terug

pinnen..

daar doen

we hier

niet aan