Meubelhandelaar

- 07 February 2018 door Edwin Timmers -

Ze gaat me voor door de gang naar de huiskamer. Uit haar gezicht had ik opgemaakt dat ze het zeer op prijs stelde dat ik op het afgesproken tijdstip voor de deur stond. Begrijpelijk, want als je in de thuiszorg werkt is het de hele dag racen. Meestal neem ik het niet zo nauw met de tijd. Mensen die spullen kwijt willen, hebben doorgaans haast. Zij die trappelen van ongeduld gaan snel akkoord met een even rond als laag bod. Hoogst zelden laten ze me buiten staan als ik eens een uur te laat aanbel.
Mevrouw had gezegd dat het hele interieur speciaal voor haar vader was gemaakt. Toen ik vroeg of het meubilair uniek was bevestigde ze met een ja, die door een overmaat aan lucht en een zweem van desinteresse als een ha klonk. Een set meubels enig in zijn soort doet het goed in mijn webwinkel. Zorg dat je op tijd bent, zei ik tegen mezelf.

Nu ik achter haar aan door de gang loop, bekruipt me het gevoel dat het met dat unieke wel mee zal vallen. Een spiegel in een zware, donkerbruine lijst boven een radiator. Daarnaast een kapstok van vergelijkbare zwaarte en op de houten vloer tot op de draad versleten geel-bruine vloerbedekking. En hondengeur, helaas. Daar gaan mijn centen, en de hare. Hondengeur maakt alles onverkoopbaar. Ze legt haar hand op de zwarte klink van een deur, die vermoedelijk toegang geeft tot de huiskamer, en waarschuwt voor het opstapje.

Zeg maar gerust opstap. Mijn adem stokt. Niets staat recht, ik bedoel, rechtop. Alles helt voorover. Zelfs de muren zijn uit het lood gestuukt, flink uit het lood, bovenaan is de laag specie minstens vijf centimeter dikker. De boekenkast, waarin veel boeken over oorlog, dreigt voorover te vallen. De vloer ligt onder afschot, minstens een procent, misschien zelfs anderhalf, en bereikt zijn diepste punt bij de muur aan de straatkant. Tegen die muur staat een tv-meubel, waarvan de onderste laden niet meer open kunnen, zo sterk helt het ding. De televisie kijkt sip onder een hoek van vijfenveertig graden naar dezelfde vloerbedekking als in de gang. Twee van de vier poten van de salontafel tegen de rechtermuur zijn korter. Een theepot zou op deze tafel gaan schuiven. De stoelen zijn niet meer te bezetten zo scheef.

Mevrouw kijkt me ietwat schuchter aan. E, a, oe, eu, ie, o, s, gw, r. Ik heb minstens tien pogingen nodig voor het formuleren van een goedlopende zin waarin mijn verbouwereerdheid niet doorklinkt. Ik mag gerust even ergens gaan zitten, maar ik blijf wel staan. Als ze vraagt of ik koffie wil, antwoord ik met de vraag of dat mogelijk is, hier, koffie drinken. Ze zal het uitleggen.

Haar vader was ooit badmeester. Twee jaar voor zijn pensioen ging het mis, ergens in zijn hoofd was iets gaan rammelen. Hij nam afscheid van het zwembad. Omdat hij erom smeekte, gaven zijn collega’s hem de badmeesterstoel mee. Een badmeesterstoel heeft een trapje dat naar de zetel leidt. Deze stoel stond lange tijd middenin de huiskamer en vader zat er altijd op. Zo keek hij tv. De hoogte en het bijbehorende perspectief stelde hem gerust. Maar daar kwam zijn dochter pas later achter.

Toen pa slecht ter been werd, lukte het hem niet meer het trapje naar zijn zetel te beklimmen. Een hartverscheurend schouwspel. Ze besloot de badmeesterstoel weg te doen nadat ze hem voor de tweede keer onderkoeld op de grond had aangetroffen, ter aarde gestort tijdens de klim. Hierna ging het niet goed met vader, hij bleef maar zeggen dat hij niks zag. Toch waren zijn ogen goed. Op een middag begreep ze het en meteen daarna begon haar man met het nabouwen van het perspectief. Tevreden leefde papa zijn laatste jaar in een gewone stoel. Deze stoel sjorde ik vast op mijn aanhanger en reed naar huis.
terug

daar

gaan

mijn

centen