Muren met obesitas

Muren met obesitas

Sommige gebouwen hebben iets. Je weet niet precies wat, maar ze trekken aan je. Als een kroeg waar je nog nooit binnen bent geweest, maar waarvan je op de een of andere manier zeker weet dat het bier er goed smaakt.

Andere gebouwen hebben het tegenovergestelde effect. Politiebureaus bijvoorbeeld. Daar kun je maar beter wegblijven, zo ben ik tenminste opgevoed. Maar soms verandert een gebouw van karakter. De bestemming verandert, de deuren gaan open en ineens wordt een plek die ooit gezag en ongemak uitstraalde een plek waar je graag wilt zijn.

Neem het Louis Hartlooper Complex aan de Tolsteegbrug in Utrecht. Ooit een politiebureau, tegenwoordig een filmtheater, cultureel centrum en horecagelegenheid. Een imposant gebouw op de grens van de oude binnenstad en de wijken daarbuiten. Alsof het nog steeds een oogje in het zeil houdt.

Ik kwam er regelmatig voorbij en dacht telkens: daar moet ik eens naar binnen. Het kwam er nooit van. Tot ik me inschreef voor een cursus filmanalyse. Een mooi excuus om eindelijk dat gebouw eens vanbinnen te bekijken.

Het voormalige politiebureau werd in 1927 en 1928 gebouwd in de stijl van de Amsterdamse School. Architectuur uit een tijd waarin gebouwen nog karakter mochten hebben. Expressieve gevels, bijzonder metselwerk, zware vormen en details die nergens strikt noodzakelijk lijken, maar juist daardoor het verschil maken. Niet altijd subtiel, soms behoorlijk pompeus, maar wel architectuur met ballen.

Twee uur na vertrek sta ik mijn fiets in Utrecht uit de auto te trekken. De tussenliggende tijd heb ik grotendeels in een file doorgebracht. Ik parkeer op Rotsoord en fiets het laatste stukje. Halverwege gaan de hemelsluizen open. Een half uur te laat en net niet doorweekt storm ik het Louis Hartlooper binnen.

En dan gebeurt er iets bijzonders. De haast verdwijnt.

Binnen heerst een weldadige bedrijvigheid. Het is half twaalf 's ochtends en het café bij de entree zit al aardig vol. Mensen drinken koffie, praten of doen gewoon even helemaal niets. Achter de balie zitten twee opgewekte jonge vrouwen. Een van hen wijst me de weg. Ik haast me de zware granieten trap op en wurm me in zaal 5 naar een van de laatste vrije roodpluchen stoelen.

Anderhalf uur later, een stuk wijzer over cameravoering en filmtaal, dwaal ik door het gebouw.

Wat een interieur.

Op een oude foto van vlak na de oorspronkelijke oplevering zag ik al hoe massief de binnenkant is vormgegeven. De muren lijken naar binnen uit te puilen. Muren met obesitas. De ramen zitten als smalle spleetjes in dat enorme lijf van baksteen en beton. Alsof het gebouw met samengeknepen ogen naar buiten kijkt.

Ik vraag me af hoeveel van dit interieur destijds door de architect zelf werd bedacht. Niet alleen de muren en trappen, maar ook de kleuren, materialen en sfeer. Had zo'n architect eigenlijk een moodboard? Of heette dat toen gewoon een goed idee?

Het pand is inmiddels een rijksmonument en gelukkig overleefden de monumentale interieurelementen de transformatie tot filmtheater in 2004. Want dit soort plekken moet je niet gladstrijken. Niet doodrestaureren of volhangen met trendy materialen omdat iemand vindt dat het allemaal wat eigentijdser moet.

Laat die oude muren met rust. Ze hebben meer te vertellen dan de meeste mensen.

Op de eerste verdieping staan afgedankte filmprojectoren. Zware mechanische monsters uit een tijd waarin film nog letterlijk door een apparaat ratelde. Ik maak wat foto's. Tegenwoordig komt het beeld vermoedelijk uit een digitale bron. Efficiënter en technisch ongetwijfeld beter. Maar ook een stuk minder romantisch.

Beneden loop ik het café binnen. Het is er nog steeds druk. Aan een ronde tafel bij het raam herken ik een medecursist. Hij gebaart dat ik kan aanschuiven. Geen ingewikkeld gedoe, gewoon een vrije stoel en iemand die zin heeft in een gesprek.

We raken aan de praat over film en theater. Ondertussen neem ik de ruimte in me op. Een beroepsafwijking, zullen we maar zeggen.

Wat me treft, is hoe vanzelfsprekend alles hier voelt. Het café heeft de intimiteit van een goede buurtkroeg. Niet gemaakt gezellig, maar écht gezellig. De zware muren geven geborgenheid, door de hoge getoogde ramen sijpelt het schaarse daglicht naar binnen en de bedrijvigheid doet de rest.

Het interieur probeert nergens indruk te maken. Geen spectaculaire eyecatchers, geen overdreven designstatement. De architectuur doet het werk. Het gebouw heeft iets wat je niet zomaar met een interieurontwerp kunt toevoegen: een verleden. En gelukkig hebben ze dat hier niet weggepoetst.

Want uiteindelijk draait een goede plek niet om dure materialen, een perfect kleurenpalet of zorgvuldig uitgekozen meubels. Die kunnen allemaal helpen, maar het gaat erom wat een ruimte met mensen doet. Of je er wilt zijn. Of je er wilt blijven. Of je er terug wilt komen.

Ik bestel nog een koffie. De komende vijf zaterdagen zal ik hier weer zitten. Geen vervelend vooruitzicht.

Buiten is Utrecht inmiddels veranderd in een natte, grijze bedoening. Dikke regendruppels glijden van de doorhangende parasols op het verlaten terras. Ik herinner me de zomeravonden waarop het hier vol zit. Rumoerige gesprekken, glazen op tafel en warmgeel licht van de peertjes aan de prikkabels. Dan laat zo'n gebouw zich weer van een heel andere kant zien.

Ik laat mijn camera in mijn tas. Een foto bij dit zeikweer zou geen recht doen aan mijn stemming.

Op de fiets terug naar Rotsoord passeer ik een enorme graffiti. Cartooneske figuren tegen een knalblauwe achtergrond. Een explosie van kleur midden in die grauwe stad.

Ik moet lachen. Want zo voel ik me eigenlijk ook.

Buiten is het een druilerige rotdag. Maar vanbinnen schijnt de zon.

En daar waren geen spectaculaire architectonische hoogstandjes of gelikte interieurtrucs voor nodig. Alleen een oud politiebureau, een goede film, een kop koffie en een onbekende die zei dat ik mocht aanschuiven.

Een goed gebouw trekt mensen aan. Een geweldig gebouw laat ze blijven.

Terug Volgende
Edwin Timmers

Edwin Timmers

muzikant | schrijver | stamgast

Edwin is muzikant. Geen brave. Hij richtte ooit de legendarische punkband Jabberwocky op - genoeg gezegd. Maar naast het podium is hij ook tekstschrijver en chroniqueur van het alledaagse. Voor Tribe schreef stamgast Edwin ruim drie jaar lang vrijwel dagelijks een blog. Als een fly on the wall streek hij neer in uitspanningen in zuid Nederland. Soms met de auto, soms met het openbaar vervoer, soms gewoon op de fiets - niet om ergens snel te zijn, maar om het echt te ervaren. Hij keek scherp. Met lichte ironie. Zonder oordeel, maar ook zonder filter. Hij observeerde stamgasten, barkrukken, vergeelde menukaarten en gesprekken die halverwege bleven hangen. De verhalen van Ed zijn nog altijd terug te lezen in onze blog - momentopnames van plekken waar het leven zich gewoon afspeelt, glas in de hand.

WhatsApp