Ossenpikker

- 13 September 2019 door Edwin Timmers -

Het huis is leeg. Niemand heeft me gewekt. Daar zal een reden voor zijn. Sterker nog, de reden is klip en klaar. Gisterenavond laat thuis en verre van helder. Ik zou even iets afgeven bij iemand. Het was al snel gezellig, dus ik vergat de tijd. Nu mag ik gaarkoken in mijn eigen sop.
Best saai, alleen thuis op een zaterdagmiddag. Ik zou best wel wat willen vertellen, over gisterenavond bijvoorbeeld. Maar het is heel simpel: ik heb iets goed te maken. Daarom begin ik met de afwas. Tijdens de afwas denk ik aan spulletjes voor in huis. Dingen die kapot zijn, of dingen die het huishouden pas echt compleet maken. Ik ga naar de bouwmarkt, op de fiets, uitwaaien en hopelijk wat aanspraak.

Aan de Balkweg in Den Bosch hebben vele grote winkelketens een vestiging, waaronder de Praxis, die zelfs een lunchroom in haar megastore heeft, tenminste, dat hoorde ik onlangs. En het klopt, de Praxis is voor zover ik weet de enige bouwmarkt met een lunchroom. Rooyaal, zo heet ‘ie. Een slimme naam, werkt goed in Google.

Het wit gebeitste meubilair van Rooyaal geeft de lunchroom een Mediterraan sfeertje. Met een beetje fantasie waan je je aan het strand. Er zijn ruim twintig zitplaatsen verdeeld over zo’n zes tafels. De kassa staat bij een vitrine waarin broodjes en taartjes zijn uitgestald. Naast de vitrine staat een hoge en brede koelkast vol met fris-, fruit- en energiedrankjes. Een man zit op zijn knieën om de onderste rijen recht te zetten en aan te vullen.

Het meisje achter de vitrine kijkt me met een mix van achterdocht, angst en reserve aan als ik een koffie en een pecanbroodje bestel. Zou ik echt zo’n rare vent zijn als haar blik me vertelt? Volgens een vriendin wel. Tijdens een feestje een dikke maand geleden, al wat later op de avond, beweerde ze dat mannen maar één ding willen. Bewust of onbewust, mannen willen maar een ding. “Vrouwen zien dat,” zei ze stellig. Deze woorden volgend, vreest het meisje achter de kassa dus mijn avances. Op het moment dat ik haar zag, wilde ik kennelijk geen koffie meer en geen pecanbroodje, op het moment dat ik haar zag, wilde ik haar, bewust dan wel onbewust, haar lichaam, op klaarlichte dag in een lunchroom in een bouwmarkt. Ik vrees dat mijn opvoeding, mijn gewoontes en mijn kater in de weg zitten, want ik wil koffie.

Het meisje vindt klantcontact nog wat spannend, dat is alles. Ze klaart op als ze me mag uitleggen dat dit de enige lunchroom van Rooyaal is. Ze weet niet of andere vestigingen van Praxis een lunchroom hebben. “Mocht dat zo zijn, dan is die in ieder geval niet van Rooyaal, want daar is er maar een van.”
Lekkere koffie trouwens. Ik pak de kaart erbij. Ze hebben hier ook Bossche Bollen van Jan de Groot. De échte, roept de kaart. Enige tijd geleden moest je voor de beste Bossche Bollen bij bakkerij Jan de Groot zijn. In de loop van de tijd zijn zijn bollen dus van de beste naar de échte opgewaardeerd.

Aan het belendende tafeltje zitten twee jonge vrouwen en een jonge man. Aan het hoofd van de tafel staan twee buggy’s. Precies op het moment dat ik denk dat er geluiden bestaan die ik kan missen begint in een van de twee buggy’s een baby te huilen. Dit geluid legt een rechtstreekse verbinding met verdrongen zaken in het diepste van mijn onderbewuste. Vanuit die diepte voel ik een grommen opkomen, dat echter halverwege stokt, want een van de twee vrouwen heeft de kleine alweer stil, zonder blikken of blozen, puur routinewerk. Zelfs op het gezicht van de jongeman is geen greintje ergernis te bespeuren. De drie volwassen vervolgen hun overleg boven een folder over keukenmachines of iets dergelijks.

“Ja, werken, werken, werken,” antwoordt een meid de man die op zijn knieën voor de grote koelkast zit. “Hard werken, weinig verdienen.” Ze hebben elkaar blijkbaar al even niet meer gezien. Uit haar antwoord maak ik op dat ze al die tijd gewerkt heeft. Werken en misschien nog een beetje Netflixen, maar dat doet iedereen, dus mag geen naam hebben. Nu is ze hier samen met een vriendin om twee blikjes Red Bull te kopen. Daar gaan ze weer – “Houdoe!” – elk met een blikje energy losjes in de hand.

De koffie is echt goed. Aan het tafeltje tegenover zitten twee vrouwen, mid-vijftig. Een van hen zit net als ik de omgeving in zich op te nemen, terwijl ze met een half oor naar haar vriendin of zus of collega of kennis luistert. Regelmatig treft haar blik de mijne. Na vier voltreffers wordt het wel wat ongemakkelijk. Haar tafelgenote zit met haar rug naar me toe en heeft het over verhuizen, dat ze daar zin in heeft, maar dat het ook wel veel werk is en dat ze de planten het laatste doet. Weer treffen onze blikken elkaar. Dit keer lees ik echter meer betekenis in de hare. Was dat een knipoog? Zag ik het goed? Waar is mijn bril? Zou ze een goede verhuishulp in me zien?

Ik moest maar eens gaan winkelen.
Op het ritme van de pedalen raken mijn knieën telkens de volgepakte tassen aan het fietsstuur. Ik zwabber, maar verkeer in een consumptieroes en denk aan luchtige zaken. Ik denk aan vogels op de rug van grote zoogdieren in films over de Afrikaanse natuur. Ze pikken teken en andere parasieten uit de vacht van hun gastheer. Zo hebben zoogdier en vogel baat van elkaar. Dit heet mutualisme en de betreffende vogel heet ossenpikker. Een zelfstandige lunchroom in een megastore van een bouwmarktketen is ook een vorm van mutualisme. Ze hebben baat van elkaar. In sommige huishoudens komt het ook voor.

terug

een

mix

van

achterdocht