Plein

- 03 July 2020 door Edwin Timmers -

Stel jezelf een plein voor van veertig bij veertig meter, volledig verhard met gele en donkerrode gebakken klinkers. Aan de randen staan een stuk of tien jonge bomen. Twee zijden van het plein liggen aan een weg, af en toe tuft een auto voorbij. Aan de overzijde van die wegen staan gebouwen in overwegend gele baksteen. In een van die gebouwen zit op de begane grond een supermarkt.

Boven de supermarkt zijn seniorenwoningen gerealiseerd. Ook aan de derde zijde van het plein staat bebouwing, waarvan de onderste laag gebruikt wordt voor de bevoorrading van winkels. In de jaren dat het er ligt is het plein nooit echt tot bloei gekomen. Misschien is het te groot voor een te klein dorp. Een keer per week is er markt. De rest van de tijd is het niet meer dan een ruime, ademende vlakte met een niet te duiden, hybride sfeer. De sfeer van een slaperig stadje in een spaghettiwestern vermengd met de sfeer van een strak geplande openbare ruimte in een uit de grond gestampte betonnen Oostblokstad in verval.

Deze hybride sfeer geeft de plek iets filmisch. Aan de vierde zijde van dit plein is enkele jaren geleden een nieuwe horecagelegenheid gebouwd. Ik voelde iets van verrukking toen ik het vijfentwintig meter lange laagbouwpand voor het eerst zag. Het klopt helemaal, dit pand hoort hier te staan. Om te ervaren dat het inderdaad klopt, moet je het terras op. Pas dan voel je wat het plein doet.

Het pand is opgetrokken uit rode baksteen. Een opvallende en geslaagde keuze in een omgeving met overwegend gele baksteen. De rode baksteen wordt grotendeels aan het zicht onttrokken door een zware eikenhouten terrasoverkapping die zich over de gehele lengte van de voorgevel uitstrekt. In het pand is een cafetaria (Halte 5), een lunchroom (Naast) en een café (De Bar) ondergebracht. Het is maandag, even na het middaguur, dus ik loop de lunchroom binnen. De interieurontwerper hield zich in, hij of zij koos voor veilig. Het resultaat is een modern, strak interieur met industriële en speelse brocante-achtige accenten. De compositie is goed, sober bijna, wat de ondiepe ruimte overzichtelijk houdt en de aansluiting op het terras zowat naadloos. Na wat corona-gebabbel over en weer vraagt de serveerster waarmee ze me van dienst kan zijn. Ik bestel een koffie en een stuk Red Velvet cake en loop weer naar buiten om plaats te nemen op het terras.

Aardig wat groen op het terras. Planten in zinken emmers en planten in zwarte olievaten. Planten in bakken op scheidingswandjes. Het aantal tafels zal bij wijze van coronamaatregel gereduceerd zijn. Naast me staat een lange lage kast van zwaar, roestig staal waarin gekloofd stookhout ligt. Stookhout ter decoratie, want een houtkachel zie ik nergens. Aan de tafel rechts van me zitten twee vrouwen nieuwtjes te delen. Vier kwieke jongeren, achttienjarige zonnetjes, lopen op hen toe. “Hee,” richt een van de twee vrouwen zich tot het meisje onder de jongeren, “belangrijke telefoon gehad?” Het meisje reageert blij: “Ja, opa had gebeld.” Het schijnt eigenlijk best wel weer goed met hem te gaan.

Aan een tafel tegenover de twee vrouwen zit een man alleen. Zijn blik is wantrouwig als van een betrapte zondaar. Hij drinkt bier op dit vroege uur, een halve liter van Duitse makelij. Zijn broodje hamburger is opgetuigd als een kerstboom en net zo groen. Meteen nadat hij de culinaire stellage achter de kiezen heeft, steekt hij een sigaret op, zijn toetje. “Ach,” zegt de passerende serveerster, “ik haal even een asbak voor u.” Ze komt terug met een asbak en mijn bestelling.

Het overdekte terras loopt uit in een even breed niet-overdekt deel. Daar zit een stel vroeg-gepensioneerden met veel smaak de lunch te verorberen. Kennelijk zitten er ingrediënten in het maal die de vrouw niet blieft, want manlief pikt ze telkens van haar bord. Dit proces verloopt zonder woorden; ze zijn het zo gewend.

Ik kijk uit over het verlaten plein en het voelt goed, hoe vreemd dat ook mag klinken. Ik neem me voor dat ik eerdaags tegen zonsondergang naar De Bar hiernaast ga. Iets zegt me dat daar op dat moment een vol hoofd, zelfs bij een minimum aan alcoholische versnaperingen, helemaal leegloopt. Het plein, die ruime leegte, geeft letterlijk lucht. Ik zet de vork in mijn gebak. De man van de sigaret stapt in een witte Opel Combo, de enige auto op het plein, en rijdt weg.

terug

Levend

Groen

Zinkend

Emmer

Horeca interieur horeca inrichting terug