Schieten dan!

- 16 October 2017 door Edwin Timmers -

Volle bak op het terras. Binnen is een heet feestje gaande. Buiten koelt het al wat af, dus rokers en vrijwillige meerokers grijpen hun kans. Van zweet glanzende hoofden zuigen aan rap weg smeulende sigaretten. Minstens de helft van de genodigden geniet van de blauwe walm onder de luifel. Over het belang van kunst was ik aan de praat geraakt met Lien die lang geleden kunstgeschiedenis studeerde. De obers hadden opdracht gekregen ook op het terras te serveren. Nooit doen als je rokers nog binnen wilt hebben.
Een man met een gezicht even langzaam als zijn tred, loopt op ons toe. Wilfried. We kennen elkaar van een eerder feestje. Zijn verhalen zijn rauw en boeien me. Voor zijn scheiding leidde hij een leven dat alleen maar tot een scheiding kon leiden. Van zijn vrouw bevrijd kreeg hij zijn leven weer op de rails. Dat kost hem zichtbaar moeite, permanent onderdrukt hij impulsen, vandaar dat langzame. Hij kruit zichzelf door het leven, met een rugzak vol aangeleerde richtlijnen voor sociaal wenselijk gedrag. Bij de groenvoorziening leerde hij zijn huidige vriendin kennen.

De ober komt langs. Wilfried pakt een cola, Lien een rode wijn en ik een bier. Met een vorsende blik schat Lien Wilfrieds vermogens. Ter hoogte van haar wang houdt ze een brandende sigaret tussen een omhoog priemende wijs- en middelvinger. Het gesprek pingpongt gemoedelijk.

Wilfried rookt niet en hij drinkt niet meer. “Kijk,” zegt hij. “Met drie kinderen op de achterbank en een kistje bier achter de kiezen, kroop ik achter het stuur. Als ik er één drink, zijn het er zo tien.” Lien lacht en neemt, nog immer met vorsende blik, een hijs van haar sigaret. Het gesprek beweegt zich naar het onderwerp drugs, bekend terrein voor Wilfried.

“Ze zeggen dat er bij de school van mijn kinderen niet gedeald wordt. Ha, ze hoeven mij niks te vertellen. Ik zie ze elke dag staan, kan ze zo aanwijzen. Nee, ik heb dat zo vaak gezien toen ik zelf nog op school zat. En nog veel meer van die dingen.” Hij nipt van zijn cola en polst zijn toehoorders met een opvallend zachte blik. “Ik kreeg wel eens een pistool tegen m’n kop. Ja. Nou, schieten dan, zei ik tegen die gekken. Maar ze schoten niet.”

Even voordat Wilfried aansloot vertelde Lien dat ze soms zo blij is dat er kunst is. Deze opmerking herhaal ik nu. Wilfried wil het graag geloven maar zegt niet zo thuis te zijn op het gebied van kunst. Lien vraagt hoe het mijn zoon op de kunstacademie vergaat. Hierop verlies ik me in een lofzang op mijn zoon. Wilfried maakt zich na zo’n tien minuten voorzichtig uit de voeten. Lien houdt vol. “Misschien moeten we maar eens terug naar binnen gaan,” zeg ik tegen Lien als ik haar in het lege wijnglas zie turen. “Ik ga naar huis,” zegt ze resoluut. “Hier kunnen ze me wel missen. Maar eerlijk gezegd begint de wijn me te smaken en ik moet nog rijden.”

Binnen zie ik Wilfried bij de bar staan. Een glas cola wordt voor hem ingeschonken. Ik ga naast hem staan en zet mijn lege glas op de bar. Hij kijkt me van opzij aan. Een blik zonder achterwand, oneindig eenzaam. Ik wankel en zeg losjes:
“Ik praat wel veel, he?” .
“Ja,” zegt hij.
terug

ik

praat

wel

veel