Schuitje varen, theetje drinken

- 03 July 2020 door Edwin Timmers -

Den Bosch heeft natte voeten. Of misschien moet ik zeggen dat elke Bosschenaar moeite moet doen om zijn voeten droog te houden. De historische binnenstad verrees eeuwen geleden op een zogeheten donk, een hoger gelegen stuk land, te midden van water. Ten noorden van de stad stroomt de Maas, vanuit het zuiden stromen rivier de Aa, rivier de Dommel en de Zuid-Willemsvaart erdoorheen. In de stad zelf heerst de Dieze. Stadsuitbreidingen gingen altijd gepaard met landwinning door ophoging. Het zand voor ophogingen werd nabij gewonnen. Op de plekken waar zand werd gewonnen, ontstonden grote waterpartijen. De IJzeren Man in Vught leverde het zand voor de wijk rondom het centraal station. De Oosterplas, de Zuiderplas, het Heijmans Gat en zo nog een stel zijn allemaal te koppelen aan substantiële stadsuitbreidingen. Den Bosch en ommelanden is ontegenzeglijk waterrijk. Logisch dus dat een deel van het toerisme op het water drijft.

Twee maanden geleden openden twee jongemannen een bootverhuurbedrijf aan de Tramkade in Den Bosch. Een riskant startmoment gezien de huidige crisis. Met inachtneming van de anderhalvemetermaatregel mogen er slechts drie personen op hun motorbootjes. Wij, mijn kinderen, mijn partner en ik, waren zaterdag jongstleden met vijven, maar ze knepen een oogje toe. We waren al doorweekt voordat we aan boord gingen en zo weer droog dankzij de krachtige zon die de bui verdreef. Na een korte instructie zetten we koers richting Heijmans Gat. Het was meteen goed, mede dankzij het meegebrachte koelboxje met speciaalbieren. We besloten iedereen te groeten, ook de mensen op de kant. Iedereen groette terug.

Varen is als het leven. Als het bootje eenmaal vaart, kun je er niet meer af. Weer, wind en andere tegenslagen heb je te doorstaan, hoogstens kun je even schuilen onder een brug, tenminste, als er een brug is. We hadden geluk. Krap een kwartier onderweg begon het te druppen. Tegen de tijd dat het pijpenstelen regende bereikten we een brug. Een kwartier later was de lucht weer blauw en droogde de zon ons opnieuw. In het Heijmans Gat lieten we het bootje vastlopen op een zandbank, trokken we schoenen en sokken uit en dabberden we een uur lang op blote voeten door de modder.

Om zeven uur stonden we hongerig op de Tramkade. We liepen het fijne café Bossche Brouwers, waarover ik onlangs vertelde, voorbij om te gaan eten bij het Werkwarenhuis ernaast. We hadden gereserveerd, maar niet stilgestaan bij het feit dat reserveren sinds kort een bredere betekenis heeft. Een oververmoeide serveerster leidde ons naar een tafel op het aardig drukke terras en wees ons vervolgens op de hapjeskaart. Misschien was ze niet oververmoeid, maar had ze gewoon haar dag niet. Ze was in ieder geval chagrijnig, kortaf en onverschillig. Kan gebeuren. Ik wil het er verder niet over hebben. Hoewel, haar stemming kan natuurlijk ook het gevolg zijn geweest van de stress die de coronamaatregelen veroorzaken. Als horecawerker moet je tegenwoordig tegelijk gastvrij en streng doch rechtvaardig als een politieagent zijn. Doe je dit laatste niet, dan riskeer je een fikse boete. Hoe het ook zij, we wilden geen hapjes van de hapjeskaart. Mijn dochter belde de nabijgelegen Verkadefabriek. Daar was nog plek voor vijf eters.

Het Werkwarenhuis is trouwens een prachtplek, vooral het horecadeel binnen, hoewel het terras er ook mag zijn. Het terras heeft de sfeer van een in allerijl geïmproviseerd tuinfeest. Meubels van sloophout, prikkabels en een laagje zandbakkenzand over het asfalt. Het interieur binnen is zinnenprikkelend, het nestelt zich in je geheugen als een kalverliefde. Een tamelijk hoge hal waarvan de staalconstructie, de wanden en het plafond lichtroze zijn geverfd. Deze lichte kleur accentueert het ruime van de ruimte zonder dat je het gevoel krijgt erin te verdrinken. Alles even zoet en licht, de schaduwen zijn zacht als eendendons. Wees gewaarschuwd als je ‘nodig moet’: de toiletgroep is op een paar knalroze accenten na helemaal knalgeel, het glazuur klapt er zowat van je tanden. Een driewerf hoera voor de interieurontwerper.

De Verkadefabriek blijft een fijne plek. Het café-restaurant biedt in niet-kritieke tijden plaats aan zeker driehonderd gasten. “U bent gast 29,” zei de serveerster. “Er mag er nog eentje bij.” Om de leegte te maskeren plaatste de Verkadefabriek tientallen enorme bakken met metershoge bananenplanten. Een geslaagde noodgreep met een surrealistische impact. Als de coronamaatregelen maar lang genoeg duren, neemt de natuur het roer vanzelf weer over, dan verdwijnt de horeca op termijn onder overwoekerend groen. Zou dat de ‘kritische’ boodschap zijn van deze natuurperformance-act?

terug

plek

voor

vijf

eters

Horeca interieur horeca inrichting Duurzaam interieur terug