Spelen met friet en bier

- 03 May 2019 door Edwin Timmers -

De kindertijd is een labyrint, een oneindig stelsel van gangen, elke stap is onderdeel van een permanente, altijd spannende ontdekkingsreis. Het verdwijnen van die opwinding heet volwassen worden. Sommige volwassenen stellen zich tevreden met het surrogaat van de verleiding. De meesten vinden het wel okay, ze berusten in overzicht en voorspelbaarheid.
Ik overzie de enorme ballenbak van de Udense speelboerderij Hullie. Voor mij is het geen labyrint meer. Binnen een paar minuten heb ik het gangenstelsel in kaart gebracht. Ik ben volwassen.

Zestien jaar geleden, ongeveer een jaar na opening, bezocht ik Hullie voor het laatst. Sindsdien is het meer dan twee keer zo groot geworden en toch is er weinig veranderd. Een succesformule die nog wel even meekan. Op Koningsdag, de dag voor mijn bezoek, was het er zo druk dat mensen hun frietjes opaten op de vensterbank.

Ik wilde er ongestoord kunnen rondkijken, maar vermoedde dat een volwassen man alleen in een kinderparadijs snel verdacht zou zijn. Mijn tweeëntwintigjarige zoon en zijn vriendin wilden wel mee als ik hen zou trakteren op een taartje en een kop koffie. Koffie inderdaad. De laatste keer dat mijn zoon Hullie aandeed, dronk hij nog ranja.

We mogen gratis naar binnen. Kinderen betalen hier negen euro en volwassenen betalen niks onder de stilzwijgende afspraak dat ze toezien op het gedrag van hun kinderen. Shaiesta is 9 jaar. Deze mededeling op een feestelijk bordje geldt als reservering van het tafeltje naast het onze. Kindernamen zijn exotischer geworden, de tijd van Jan, Piet en Klaas is voorbij. Ouders verhouden zich anders tot hun kroost. En toch is veel herkenbaar.

Een meisje van de bediening neemt onze bestelling op en maakt een praatje. Voordat ze weer verder gaat, heeft een collega de bestelling al uitgeserveerd. Mijn aardbeientaartje met slagroom laat nog even op zich wachten. Een zweterig vierjarig meisje eet een tosti. Haar opvallend oude mama eet een bruine boterham die ze tegen Hullies huisregels in van thuis meenam. Het meisje wil ook bruinbrood. Ze krijgt een sneetje van mama en klemt haar tosti ertussen. Mijn aardbeientaartje arriveert. Het meisje legt haar dikke tosti op tafel en begint met het uittrekken van haar jurkje. Ze krijgt het kledingstuk niet over haar hoofd en kijkt mij beschuldigend in de ogen. Ik mag niet kijken. Een paar tellen later rent ze in een roze maillot en een wit hemdje de ballenbak in.

Elke minuut schiet er wel een papa overeind in zijn stoel. Dit gedrag doet me denken aan een documentaire over pinguïns. Duizenden pinguïns dicht opeen op een besneeuwde ijsvlakte. De voice-over vertelt dat de ouders hun jongen in deze kluwen terugvinden op basis van het geluid dat ze maken. Elke pinguïnbaby piept zijn eigen lied. Hier, bij de ballenbak, hoor ik een amalgaam van kindergejoel. Kennelijk herkennen vaders hun eigen kind in deze kakofonie.
Er hangt een licht zurige, stoofvleesachtige geur. “De keuken van Ikea,” zegt mijn zoon.

Een tweejarig meisje met twee piepkleine blonde knotjes op haar hoofd speelt een spelletje op het goudkleurige mobieltje van haar moeder. Haar papa is met zoonlief op verkenningstocht. Mama is ook even weg. Achter me zit een oma soep te slurpen. Bij haar aan tafel zitten twee tienerouders, waarschijnlijk haar kleinkinderen. Ze praten weinig. De vader van het tweejarige meisje keert terug. Een forse dertiger met een gouden oorbel en een buikje dat op hangen staat. Hij neemt een slok van zijn Leffe Dubbel die even daarvoor is uitgeserveerd met drie flesjes Fanta. Kinderen houden meer van flesjes dan van het fris dat erin zit. Het meisje legt het mobieltje op tafel en vertrekt richting ballenbak. De eerste slok Leffe heeft zijn maag nog niet bereikt of papa schiet op uit zijn stoel. Hij spitst zijn oren, alert als een stokstaartje. Gerustgesteld gaat hij weer zitten. Uit de tas van zijn vrouw tovert hij een pakje sigaretten en loopt naar de rookplek buiten.
Bij wijze van begroeting steek ik mijn arm de lucht in naar een meisje van de bediening. Een bekende. Ze draagt een dienblad met borden friet, hamburgers en frikandellen. Ze lacht en komt gelopen. Als ze het eerste bord op ons tafeltje heeft gezet, vraagt ze of wij dit eigenlijk wel besteld hebben. We schudden van niet. “Maar jullie zitten wel aan tafeltje acht,” werpt ze tegen. Foutje, ze moet de tafel van het tweejarig meisje hebben. Ze serveert het uit en gaat gauw verder.
De vader van de tweejarige neemt weer plaats. Het reeds geleverde en dampende snackgoed maakt hem blij. Hij belt zijn vrouw en hoort haar goudkleurige mobieltje op tafel overgaan. Hij staat op om zijn gezin voor de maaltijd te herenigen.

Op een televisiescherm hoog in de hal racen auto’s. Ziggo Sport voor vaders. Een huilend jongetje loopt voorbij. De hand van zijn breed lachende oudere broertje rust op zijn schouder. Het huilen versmelt met de overige kinderklanken op de achtergrond. Het geluidsniveau valt mee, het is geen herrie. Toch zijn gesprekken aan belendende tafels niet te volgen. Feitelijk is Hullie een ideale plek voor spionnen. In films wisselen spionnen informatie uit in badkamers. Door het stromen van de douche kan afluisterapparatuur het geluid van kletterend water en mensenpraat niet onderscheiden. Ik kijk om me heen, maar zie geen geheimagenten in code spreken. Wel valt het grote aantal appende ouders op.
“Frietjes!” roept het tweejarige kind naar haar moeder. Papa heeft zijn zoon gevonden. Het gezin is herenigd. De kinderen zullen hun mond niet meer verbranden. Het eettempo ligt hoog dankzij de gedaalde temperatuur.

Zojuist gaf een vrouw haar baby de fles. Nu hangt het voldane kind in op haar linkerarm uitgeteld tegen haar aan. Moeder met kind, een iconisch beeld. Zich van een primaire taak gekweten, kijkt moeder onbezorgd op het scherm van haar mobieltje dat ze in haar rechterhand houdt. Moeder met kind en mobiel, een nieuw icoon.

Mijn mond valt open bij het betreden van de nieuwe hal die via een smalle gang achter de ballenbak is te bereiken. Klimtorens en metershoog opgestelde trampolines. Boven mijn hoofd rijdt een treintje voorbij. Meer dan honderd volwassenen eten en drinken aan de vele tafels in de sfeervol ingerichte ruimte, die vanwege ruw gestuukte nissen en verhoogde zithoeken met leren fauteuils op de huiskamer van een welgestelde heeroom lijkt. Ik zie twee vrouwen een kaartje leggen, twee andere dames spelen Rummikub. Een enkeling trekt een tijdschrift of boek uit de boekenkast, waarlangs ik naar buiten loop.

In de speeltuin tref ik mijn buurman. Zijn zoontjes scheuren op grote skelters over het verkeersplein. Ze rijden snoeihard door rood. Verkeerslichten staan er louter voor de sfeer. Buurman vertelt dat hij jaren geleden, voor de geboorte van zijn zoons, al best vaak bij Hullie kwam. Hij haakte aan bij vrienden die al wel kinderen hadden. “En als we dan naar huis gingen, kon ik amper lopen,” bekent hij. Ze zopen zich een stuk in de kraag. Ik hoorde dit verhaal vaker uit andere monden. Misschien schuilt hierin een verklaring van Hullies succes. Zolang volwassenen het naar de zin hebben, vermaken kinderen zich opperbest. “Pa-hap! Paaap!” Een van zijn zoons roept om hulp. Hij reed zich vast in de heg. Mijn buurvrouw komt naar buiten gesneld: “Jongens, de frietjes staan op tafel!”

terug

een

stuk

in de

kraag