Twee ogen op een schaaltje

- 02 March 2018 door Edwin Timmers -

Mijn fiets valt om. Wijdbeens beantwoord ik een paar mailtjes op een bankje in de zon als een man komt aanlopen. Een priesterboord, een geestelijke. Hij groet en vraagt of hij naast me mag zitten. Ik schuif een stukje op. "Wat goed dat u van uw fiets bent gestapt om op uw telefoon te werken," zegt hij met lichte spot. Ik gun mezelf een paar tellen voor een antwoord: "Mijn opvoeding, mijnheer pastoor, was voortreffelijk. Met recht durf ik mezelf een goed burger te noemen. Fietsen en telefoneren beschouw ik als een zonde."
Meneer pastoor had zich vergist in de tijd. De dienst in het crematorium verderop zou pas een uur later plaatsvinden. Hierop besloot hij een wandeling te maken door het belendende park. “Zeggen dat ik te vroeg ben, klinkt zo negatief. Vindt u niet?” vroeg hij. “Laten we zeggen dat ik ruim op tijd ben. Bovendien is een beetje lichaamsbeweging goed voor me.” Ik knikte en stopte de telefoon in mijn jas.

Van de gelegenheid gebruik maken. Heel goed ken ik de kerk niet. Dat geeft geestelijken een streepje voor. Over de biecht bijvoorbeeld ken ik slechts een paar schunnige moppen. De pastoor wil best wat kwijt over dit sacrament, hoewel hij toegeeft dat het alweer zeven jaar geleden is dat hij een biecht afnam. Mensen zullen minder zondig zijn, opper ik. Hij lacht.

“Wat ik je nu vertel is nog veel langer geleden. Precies weet ik het niet meer. Is ook niet belangrijk. Het verhaal zal je niet vervelen,” zegt hij.

“Een jonge vrouw, eigenlijk gewoon een meisje van achttien, negentien meldt zich voor de biecht. Tegen u mag ik zeggen dat ze beeldschoon was. U zult het niet verder vertellen, neem ik aan, goede burger die u bent. Welnu, alle dames van die leeftijd zijn mooi, net als heren trouwens, op die leeftijd. Maar haar schoonheid was exceptioneel. Die ogen, hemeltjelief, wat een ogen. Ze heette Lucy. Haar moeder, sinds vele jaren weduwe, had een man voor haar geregeld. Maar Lucy wilde die vent niet. Daarbij was het huwelijk haar nog te vroeg. Verder vermoedde ze dat die kerel, Simon heette hij, uit was op het geld van haar moeder. Heel de gemeenschap wist dat vader een fortuinlijk man was. Natuurlijk zei Simon hier niets over. Wel bleef hij haar ogen roemen. Hij zei niet zonder haar blik te kunnen leven, maar ook niet met, omdat haar ogen tegelijk een kwelling voor hem waren, te mooi en onbereikbaar. Lucy vond hem een slijmerd. Liever zocht ze haar eigen weg in de liefde.”

De pastoor kijkt op zijn horloge en knikt tevreden. Hierop haalt hij een pakje sigaretten uit zijn binnenzak, biedt mij er een aan en steekt er zelf een op.

“Ze wou haar moeder niet teleur stellen, maar wist tegelijk dat dat wel stond te gebeuren. Daarom kwam ze naar mij. Tja, wat weet hij nou van de aardse liefde, zult u waarschijnlijk denken. Meer dan u vermoedt, kan ik u verzekeren. Ik beloofde Lucy dat ik met haar moeder zou praten. Dat heb ik echter nooit gedaan. Ik kreeg de kans er niet voor.”

Hij drukt zijn sigaret uit onder zijn schoen en schraapt zijn keel.

“Hoe klein en in die zin onbetekenend of speels de daad van ene Marius ook was, hij werd haar noodlottig. Rond het middaguur, een paar dagen na haar biecht, kuste hij haar midden op straat razendsnel op haar wang om zich daarna op zijn fiets uit de voeten te maken. Lucy zag er de lol van in, ze mocht hem wel. De zus van Simon zag het voorval en lichtte haar broer erover in. Hierop bazuinde hij rond dat Lucy een hoer was. Niet niks in die tijd. Ook nu niet trouwens. Lucy was woest en ging bij hem langs. Hij deed of zijn neus bloedde en begon weer over haar ogen, over hoe wonderschoon die waren en hoe ze hem kwelden. Lucy vertrok. Een paar bezorgde de postbode Simon een pakketje van Lucy. Snel opende hij het. Op een schaal lagen twee ogen in een plasje bloed. Lucy en haar moeder verhuisden een paar dagen later.”

Gisteren stuitte ik in een boek met de titel ‘Signs and symbols in Christian art’ op een afbeelding van twee ogen op een schaaltje. Het zijn de ogen van Lucia van Syracuse. Een presentje voor een volhardende, doch ongewenste bewonderaar.
terug

schraapt

zijn

keel