Vetluis 3

- 30 June 2017 door Edwin Timmers -

Op zondag is er veel volk op de markt. Honderden wandelaars en fietsers beginnen of eindigen hun route bij de dertiende-eeuwse kerk. De dochter van de broer van Neel, een studente, springt elke zondagmiddag bij. Het was druk vandaag, veel koffie met appeltaart, maar het ging, want Lucy weet van aanpakken. Met een arm in de mouw van haar jas en de tweede onderweg komt ze terug van de sigarettenautomaat bij de dames. Neel vangt haar op en steekt haar een extraatje toe. “Bedankt meid.” Lucy groet Jacques, de laatste aan de bar. Jacques gooit zijn arm omhoog, maar draait zich niet om. Vervolgens stuurt ze een kushand naar de knipoog die Neel op haar glimlach legt en trekt de deur achter zich dicht. Enkele tellen later valt het lage zoemen van het afzuigsysteem op. Het zoemt en af toe is het klapperen van het klepje op de uitstroomopening buiten hoorbaar. Het zoemt en de schemering zet in. Jacques zit als een ijsklomp aan de bar, een hand om een halfleeg glas bier. Schuimsporen op de binnenzijde van de cilindrische wand.

Gezien zijn huidige toestand zou Dolf deze avond ook aan de bar hebben gezeten, ware het niet dat hij uit vissen is, met Marcus. Jacques vindt het prima. Zijn haar is vet.

Neel wil juist naar achter lopen als ze wat gemompel uit Jacques’ mond opvangt. “Wat zei je?” Jacques uit zijn twijfel over de sociale bedoelingen van een conservatieve partij. “Okee, okee, okee, ja hoor, ik geef toe dat elke sociale ambitie drijft op conservatisme. Maar wat als het conservatisme niet oprecht is zoals bij hen? Waar zijn we dan aan toe?” Neel aarzelt, maar besluit toch maar zoals gepland naar achter te lopen. “Sociaal beleid begint altijd in een gespekte pot, Jacques.” Hij wil het graag geloven en fluisterzingt: “Een gespekte pot houdt van zijn spek.” Hij vreest de knoet die hem zal schampen maar mensen als Lucy vol zal raken.

Als het schemert werkt het licht uit de lampen boven de bar zoals het bedoeld is, waarschijnlijk. Hoewel, spaarlampen, te weinig opbrengst om de ijsklomp eronder in leven te houden. Zijn innerlijk piept als een dagkuiken, zijn uiterlijk gromt en rochelt als een astmatische ouwe beer. En iedereen die wil, kan zien dat dat het geval is. Waar is iedereen?

Neel komt terug met een volle wasmand. Tafelkleedjes, handdoeken en een stel schorten. Ze zet de wasmand op een stoel bij de tafel aan het raam. Er staan meer tafels in haar kroeg en twee staan eveneens bij een raam. Een van die twee heet de tafel links en de andere de tafel bij de deur. Voordat ze het wasgoed opvouwt, strijkt ze het met haar hand op de tafel. Het werkje doet haar neuriën, doch niet te hard, want het moet geen wiegeliedje voor Jacques zijn. Ze denkt aan de periode na de opening, zeventien jaar geleden. George hield nog van haar, vermoedt ze. George hield van iedereen evenveel. En hij was niet eenkennig. Neel lacht zacht. In ieder geval was hij geen kroegbaas. Drie jaar duurde het en toen werd hij er hardhandig uitgeveegd. De mooiste drie jaar. Altijd veel volk, vrachtladingen plezier. Natuurlijk, ja-ja, het leken maar vrienden, maar het plezier was echt. Af en toe bleven vage kennissen van ver in de kroeg slapen. De dekens in de kast achter herinneren daar nog aan. En het opklapbare stretchbed. Jacques was een gast van het eerste uur, een gangmaker en een spil in aardig wat clubs en verenigingen. Noor, zijn vrouw, week niet van zijn zijde. Ze dronk port als een dorstig paard en zag het leven als cabaret. Alles was een grap en ze lachte tot ze gierde als de duivel. Dan wankelde ze en klampte zich vast aan Jacques, die zijn laatste pint als een triomferende Griekse held in zijn keel goot. De beer torste zijn trouwe prooi mee naar zijn grot. Soms, als ook Jacques wankelde, leende Dolf hem zijn schouder. Dolfie, wat ging het toen goed met hem. Neel ruikt aan de laatste handdoek. Vetluis? Ze loopt met handdoek naar Jacques aan de bar.

“Hier, ruik eens! Is dat vetluis?” Jacques ruikt en ruikt nog eens. “Ik ruik niks,” zegt hij. “Komt, denk ik, door mijn eigen stank.” Hij stinkt inderdaad. Vreemd is dat niet. Hij slaapt nu al drie dagen in de bus van zijn nieuwe werkgever. De vrouw van Hamed vond het raar dat hij in hun bijkeuken bivakkeerde. Of het hem niet bezwaarde zijn heil elders te zoeken. Hij slaapt goed, dat is het probleem niet.

“Jacques?” vraagt Neel. “Hmm,” bromt hij. “Euh … wat … nou, euh. Nee, niks. Ik dacht maar wat,” stamelt Neel. Ze is niet gek. “Kee,” bromt Jacques. Neel loopt naar achter. Enkele tellen later valt het lage zoemen van het afzuigsysteem op. Het zoemt en af toe is het klapperen van het klepje op de uitstroomopening buiten hoorbaar. Jacques zet het glas aan zijn lippen en drinkt het leeg. Op het moment dat hij zich van de bar losmaakt, rolt Neel het stretchbed met een paar dekens de kroeg in. “Zeg maar niks. We zien morgen wel verder. Heb je een wekker? Ja? Prima. En was jezelf voordat je vertrekt. Welterusten.”

klik hier voor vetluis 2
terug

vetluis

of

toch

niet