Vissen met bier

- 14 December 2017 door Edwin Timmers -

Er zit een belletje aan de hengel. Als er een bijt, klinkt het. Maar Wim maalt niet om het belletje. Hij zit lekker warm in zijn auto met draaiende motor. Op zijn onderlip hangt een sigaret, stevig genoeg om er niet af te vallen als hij lacht. Een cabaretière debuteert op de radio. Die gaat ver komen, denkt Wim en probeert een paar grappen te onthouden. Ondertussen draait hij alvast een volgende peuk.
Ginds, bij de brug over het kanaal komt een iemand gelopen met de fiets in zijn hand. Een pechvogel, zeker in deze kou en miezer. Het is nog een heel eind naar het volgende dorp. De cabaretière zegt niet te snappen waarom mannen vissen. De associatie van de hengel met de piemel vindt ze vergezocht. Bovendien, zegt ze, mogen mannen van de meeste vrouwen thuis best met hun hengel spelen. Als ze de vangst zelf maar schoonmaken. Wim glimlacht en opent het portier; de hengel buigt vervaarlijk ver door en hij hoort nu pas het belletje hysterisch rammelen. Hij slaat aan, heeft de vis een paar seconden, maar is hem dan kwijt. “Een dikke,” mompelt hij en kijkt naar waar de fietser loopt. Zijn gezicht betrekt. Het is Karel.

Karel steekt een arm omhoog. Wim knikt zuinig in zijn richting en legt de hengel zonder aas terug in het statief en kruipt weer in zijn auto. Hij kan zich niet op het nieuws concentreren. Even later zet Karel zijn fiets tegen een boom en opent het andere portier. “Je zegt niks tegen mijn vrouw, toch Wim?”
“Ik zeg niks tegen je vrouw, Karel. Maar ik breng je wel even naar huis.”
“En je hengel dan.”
Wim mompelt wat en Karel stapt in.
“Moet je die handen zien. Wat heb jij gedaan?” vraagt Karel.
“Gewerkt.”
“Hebben ze daar geen zeep.”
“Ga je nou de hele tijd zitten zaniken over mijn handen?”
Karel kijkt de auto rond. “Heb je niks te drinken?” wijzigt hij het onderwerp.
“Heb ik al op, zes blikken Duits bier.”
“Zes blikken! En dan ga je nog rijden?”
“Ja,” zegt Wim en opent de achterklep met een hendeltje naast zijn stoel. Hij stapt uit, legt de fiets in de kofferbak en kruipt weer achter het stuur. Tien minuten later rijdt de auto Karels wijk binnen. “Stop hier maar,” maant Karel. “Zo ziet ze me niet uitstappen.”
“Doe eens niet zo schijterig man. Ik zet je gewoon thuis af.”
Karel kijkt zorgelijk als de auto voor zijn huis stopt. Hij stapt meteen uit en loopt naar de kofferbak. De voordeur slaat open. Wim spoedt zich naar de vrouw die in de deuropening blijft staan en kust haar drie keer op de wangen. “Hallo Dorien, lang niet gezien.” Dorien glimlacht zuur, wappert de dranklucht van zich weg en richt zich met ferme stem tot Karel: “Je zou een stukje gaan fietsen en dan blijk je toch weer gezopen te hebben met je vismaat.” Karel tilt zijn fiets uit de auto en roept: “Ik heb verdomme niet zitten zuipen. Mijn band is lek. Hier, kijk maar!” Dorien lacht sardonisch: “Och jee, meneertje heeft een lekke band. Gelukkig dat je deze zuiperd hier toevallig tegenkwam.” Ze draait zich om en gooit de deur achter zich dicht. Wim kijkt Karel schuins in zijn ogen en haalt zijn schouders op.

De hengel buigt vervaarlijk door, ziet Wim. Maar hij blijft zitten waar hij zit. Op de passagiersstoel liggen twee halve liters Duits bier. Een derde blik houdt hij samen met een peuk in zijn zwarte rechterhand. Mooi, denkt hij, het wordt mistig. Op de radio vertelt een man over een mogelijk ingrijpende innovatie: “Dit zal niet het einde van de wereld betekenen. Wel het einde van de wereld zoals we die nu kennen.” Wim knikt instemmend.
terug

en

je

hengel

dan?