Wachten op hondenweer

- 11 October 2017 door Edwin Timmers -

Er is een verschil tussen goed en mooi gekapt. Het gebeeldhouwde kapsel van Loes wordt niet lelijker met het uitvouwbare regenmutsje erop. Het miezerde en haar haardos reageert onberekenbaar op vocht. Samen met haar schrille stemgeluid is de grijs-blauwe afro haar handelsmerk. Marcel stelt voor om in het café tegenover de halte op de bus te wachten. Sinds hun pensioen is haar weerzin tegen cafés minder geworden. Tonic is thuis weliswaar goedkoper, maar wie weet heb je in die zuiptenten weer eens wat andere praat. “Als je me maar niet de hele tijd je poedeltje noemt,” zegt Loes. “Prima,” zegt Marcel. “Als jij me belooft niet telkens te keffen.”
Aan het uiteinde van de bar zit een man alleen. Loes en Marcel nemen plaats bij de tapkast. De uitbater straalt alsof hij blij is eindelijk weer soortgenoten te zien na maanden van eenzame opsluiting. Marcel waardeert dit onthaal met een kopstootje. Loes bestelt koel een tonic. “De bus rijdt wat onregelmatig sinds ze verderop aan de straat werken,” verklaart Marcel. De uitbater knikt en zegt dat het nog wel even zal duren. “Bovendien regent het,” vult Loes aan terwijl ze het regenmutsje van haar hoofd haalt.

De man aan het uiteinde van de bar draait zich naar Loes en zegt: “Waar wachten we op?” Loes keft en Marcel vraagt hem wie hij met we bedoelt. “Met we bedoel ik ons allemaal,” antwoordt de eenzame. De uitbater haalt verontschuldigend zijn schouders op. “Wil je nog een pint, Gerrit?” Gerrit tuit zijn lippen en wiebelt zijn zware hoofd, wat de uitbater interpreteert als een ja.

“Weet je, Henk? Ik zit hier vandaag precies vijfentwintig jaar.” Henk schrikt, maar herpakt zich wonderlijk snel: “O verrots, dan is deze van mij. Proost, Gerrit, op de volgende vijfentwintig.” Gerrit tuit zijn lippen en wiebelt zijn hoofd. “Dank je, Henk. Weet je nog, Henk, toen ik hier voor het eerst kwam? Toen was ik nog huwbaar. Maar hier kwam er geen een mij ophalen. Moet ik er dan achteraan? Nee toch? Ze komen me maar halen, dacht ik. Had ik niet moeten denken, maar deed het wel. En zo is mijn huwbaarheid verdampt. Weg is ie. Ik ben een oninteressante ouwe zeurpiet. Overdag tussen mijn honden …” Loes keft. “… en na het eten hier.” Hij neemt een slok bier en gaat verder: “Maar u wilt iets zeggen mevrouw, dat zie ik. Welnu, mevrouw, eerst ik. Hoe schat u mijn kansen? Ziet u mij zitten?”

Marcel giet de borrel in een teug naar binnen en zet het glaasje met een ferme tik op de bar. Henk kent deze taal en schenkt bij. Loes wil een portje en richt zich tot Gerrit: “Honden, zei u?” Gerrit tuit zijn lippen en wiebelt zijn hoofd. “Honden ja, honderden heb ik er grootgebracht.” Marcel legt zijn hand op de linkerhand van Loes, waardoor haar stem zakt en ze een langgerekte bassende o uitbrengt. De lach van Gerrit die hierop volgt doet Henk voor de tweede keer schrikken.

De eerste man van Loes fokte honden. Op een ochtend dertig jaar geleden vond ze hem tussen vijftien huilende Duitse herders. Hartstilstand. Sindsdien keft ze. Gerrit doet ook in Duitse honden, staanders om precies te zijn. Loes vraagt hem bij hun te komen zitten. Hij tuit zijn lippen, wiebelt zijn hooft en schuift zes krukken op. Loes en Gerrit stappen eensgezind de hondenwereld binnen. Marcel juicht van binnen en steekt zijn vinger voorzichtig omhoog. Henk kent deze taal en tapt een verse pint.

Marcel was meteropnemer, maar werd lang geleden als ouwehoer geboren. Henk heeft hem door en geniet van elk woord dat zijn oren kietelt. “Verdorie, daar is de bus,” zegt Marcel als hij een uur of wat later uit zijn verhalenarsenaal opkijkt. Loes keft, maar herpakt zich wonderlijk snel: “O, die wacht wel.” Marcel juicht van binnen en ontvouwt razendsnel zijn plan: “Of we pakken de volgende.” Loes knikt instemmend en zegt: “Goed plan en bovendien is het nog steeds hondenweer.”
terug

kastelein

kent

deze

taal