Niks aan veranderen: een beklijvend café-interieur

- 03 September 2020 door Edwin Timmers -

Wat is dat toch met dat water? Dit vroeg ik mezelf vorige week af. Vandaag zit ik in een cafeetje tegen de winterdijk van de Maas ter hoogte van Demen, een piepklein dorpje op drie kilometer van Ravenstein. In de zomer raakt het water de winterdijk niet. Maar ik zie de Maas wel als ik naar buiten kijk. Bovendien regent het. Water zat dus.
Anja en ik kennen Jolanda, mede-uitbater van voormalig Café De Drie Sterren, als liefdadig chauffeur. Ze brengt en haalt onze jongste zoon een dag in de week naar en van de dagbesteding. Toen ze ons vertelde over het horeca-avontuur dat ze met haar John ging ondernemen, spraken we af dat we spoedig haar appeltaart zouden komen eten. Vandaag is het zover. De appeltaart is sakkers lekker.
Café De Drie Sterren is recentelijk door de nieuwe uitbaters omgedoopt tot Café De Vrijstaat, een naam die in fundamentele zin zegt wat een café moet zijn: een plek waar in alle vrijheid plannen worden gesmeed, subversief of conservatief. Plannen gedrenkt in alcohol. Plannen voor een dag.

We kwamen over de Maasdijk vanaf Neerlangel, een dorpje met 70 inwoners, een gilde en een kerkje. De weg over de dijk is smal en bochtig. Net voordat we bij De Vrijstaat arriveren staan er dikke, hoge bomen in hoogzomerkleed aan weerszijden van de weg – het lijkt me heerlijk om hier in het donker te lopen met een stuk in de kraag. Kijk je rechts, dan zie je de kerktoren van Batenburg aan de andere kant van de Maas, dan zie je het weggetje dat licht slingerend over de uiterwaarden naar het voetveer leidt dat Demen met Batenburg verbindt. Kijk je links dan zie de 170 jaar oude uitspanning die De Vrijstaat is. Hier je auto parkeren, is hetzelfde als instappen in een tijdmachine. Het interieur van De Vrijstaat is niet heel oud, maar oud genoeg om het gedateerde voorbij te zijn. Het interieur is van het soort dat op het punt van verdwijnen staat.

John staat op het terras en herkent ons: “De ouders van Mees.” We zagen elkaar krap een jaar geleden voor het eerst en tot vandaag niet vaker. Dat hij ons herkent, verraadt een verborgen talent voor uitbaterschap. We maken een praatje en ondertussen heet hij andere gasten welkom. We gaan het lage deurtje van de entree door en treden binnen in een museumstuk. Het licht doorhangende bordeauxrode plafond van zachtboardplaten met smalle plinten op de naden is het eerste wat me opvalt. Vervolgens vergaap ik me aan het hout; de vloer, de bar, de smalle schrootjes van de lambrisering, alles is van donker gebeitst hout. De verhalen van stamgasten uit het verre en het recente verleden galmen hier nog na – iemand reed zijn auto van de dijk en een ander had woorden gehad met een arrogante vertegenwoordiger of mot met een nukkig paard, die verhalen. De wanden zijn bezaaid met parafernalia. Oude, roestige gereedschappen met meutel in de handvaten, theekannetjes, koffiemolens, krantenknipsels en ontelbare bordjes met spreuken, gevatte spreuken, wijsheden van de dronkenman of diens vrouw. Achter al deze artefacten is het grauwgele structuurbehang zichtbaar.

“Waar te beginnen?” zegt Jolanda, die bij ons aan tafel komt zitten. “Toen ik hier de eerste keer binnenkwam, wilde ik aan de slag, maar waar te beginnen?” Twee wandelaars in regenkleding vertrekken. Jolanda groet hen en staat op om dingen te doen. De deur valt achter de wandelaars dicht en slaat meteen weer open. Een man en een vrouw stappen binnen. Ze laten hun ogen de ruimte rondgaan, knikken tevreden en nemen plaats op de krukken aan de hoge tafel naast onze tafel. John serveert koffie uit.
“Ik heb hier nu al meer lol gehad dan in de laatste drie jaar van mijn vorige werk,” vertelt John als hij weer terug is bij een stel aan de bar. Hij is trots op zijn koffie: “Een Italiaan zou er voor omrijden.” De vrouw van het stel dat zojuist binnenkwam loopt van de hoge tafel naar de bar: “Ik heb net gehoord dat de koffie hier erg goed is.” John peilt haar gezicht. “Doe mij dus maar een cappuccino en een gewone koffie.” Haar man, wiens gezicht verstopt is achter een plant, mompelt wat vanaf de tafel. “Doe er maar een stuk appeltaart bij,” zegt ze, gehoor gevend aan de wensen van haar man, en loopt terug naar de tafel. Halverwege draait ze om en richt zich weer tot John: “Doe maar twee stukken taart.” Anja kan een lach niet onderdrukken. “Goed besluit,” zegt ze tegen de vrouw, die met een ondeugende blik in haar ogen vertelt dat ze de calorieën er wel weer afloopt. Ze moeten nog terug naar Neerlangel, nauwelijks een kilometer hier vandaan. Van taart naar familie in slechts twee tussenstappen: ouwehoeren is een kunst. De vrouw heeft familie in Berlicum. Of wij die kennen? Al zou ik die niet kennen, dan zou ik die toch kennen – we zitten tenslotte in de opstartfase van een gesprek. “Jazeker,” antwoord ik, en het is nog waar ook. Jolanda komt weer bij ons aan tafel. “Toen ik hier voor de tweede keer kwam, dacht ik dat we het interieur beter zo konden laten,” vervolgt ze haar verhaal. “Het heeft wel iets.” De vrouw aan de tafel knikt instemmend. “Heel goed,” zegt ze. “Niks aan veranderen.” Haar man schuift de plant voor zijn gezicht weg. Dat praat gemakkelijker.

De deur slaat weer open. Een stel met een nieuwsgierige oogopslag in opgewekte gezichten stapt binnen. Ze worden door alle aanwezigen begroet, wat hen verrast en eigenlijk ook wel verrassend is. Jolanda gaat weer aan de slag en Anja en ik hervatten het gesprek met het stel aan de hoge tafel. Opeens heb ik zin in bier, de eerste van een lange rij pinten, maar dat haalt niks uit omdat we door moeten voor het volgende onderdeel in het zondagmiddagritueel. Het afscheid valt me zwaar; afstappen voordat je goed en wel in het zadel zit, is niks voor een barruiter.
Het regent nog steeds. Vier fietsers staan zich bij het terras af te vragen of ze naar binnen zullen gaan. “Doen!” zegt Anja. “Ze hebben lekkere taart.”

terug

van

donker

gebeitst

hout

Horeca interieur Beleving in de horeca Verhalen uit de horeca Verhalen aan de bar Café interieur Bruin café terug